Praten wij nou sneller?

„Mijn dochter (21) en haar vriendinnen praten ongelooflijk snel, geen touw aan vast te knopen. Is dat een generatiekloof? Gaan wij steeds sneller praten met zijn allen?” vraagt chef Boeken van NRC Handelsblad Pieter Steinz zich af.

„Ja”, zegt Hugo Quené universitair hoofddocent in de fonetiek, aan de Universiteit Utrecht. Hij schreef het het artikel ‘Andante of allegro? Verschillen in spreektempo tussen Vlamingen en Nederlanders’ dat in 2008 in Onze Taal verscheen. Quené onderzocht de spreeksnelheid in Vlaanderen en Nederland en concludeert dat we op steeds hogere toeren draaien in een gesprek.

Hoogbejaarden spreken tussen de drie en vier lettergrepen per seconde, bij tieners ligt dat rond de vijf. „Het is een generatiekwestie. Jongeren van nu spreken sneller dan twintig jaar geleden, zoals alles tegenwoordig sneller gaat. Een lift die vijf verdiepingen per minuut aandoet, vonden we vroeger nog snel. Zwart-witprogramma’s uit de jaren vijftig, vinden we tegenwoordig saai”, zegt Quené.

Daarnaast is het gerebbel van jonge mensen een typisch adolescentenkenmerk, zegt hij. „Ze willen hun verbale vaardigheid laten zien. Misschien praten we ook steeds sneller omdat we jeugdig willen overkomen, maar daar heb ik nog geen bewijs voor.”

Niet iedereen is zo stellig. „Er is duidelijk een verkorting in geschreven taal door de opkomst van social media. Misschien vertaalt zich dat in de praktijk”, zegt Guy de Pauw, taalwetenschapper aan de Universiteit van Antwerpen voorzichtig.

Ook Mirjam Ernestus relativeert. Zij is taalonderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen. „Vroeger spraken mensen vaker formeel en dus langzamer, bijvoorbeeld tijdens het nieuwslezen op tv. Ik weet niet of die mensen in informele situaties misschien ook wel sneller spraken.” Bovendien praten bejaarden vaak langzamer door een slecht gehoor, zegt zij. „Misschien kletsten zij toen ze jong waren wel net zo snel als jongeren nu.”

Er is wel een grens aan de woordenvloed die een luisteraar aan kan. „Daarom wisselen jongeren hun geratel vaak af met ‘eh’”, zegt universitair hoofddocent Quené .

Rolinde Hoorntje