'Nu worden wij opgeleid voor een soort leegte'

ToneelopleidingVoor studenten theaterregie moet het roer om nu er radicaal op de productie-huizen wordt bezuinigd. Het zijn traditioneel hun eerste werkgevers en oefenplaatsen.

Van sommigen van hen staan al voorstellingen geprogrammeerd in productiehuis Frascati WG. Derdejaars regiestudenten aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten Tatiana Pratley (26) en Maren Bjørseth (27) presenteren daar in januari en juni 2012 hun werk. Maar of ze er na hun afstuderen verder terecht kunnen is maar zeer de vraag. En voor tweedejaars Olivier Diepenhorst (27) en Sanne Nouws (24) is de gang naar het productiehuis al helemaal niet meer vanzelfsprekend. Zijlstra schrapt de rijkssubsidie van alle 21 productiehuizen – en als die van gemeente of provincie ook geen geld krijgen, betekent dat in veel gevallen sluiting.

Zo’n negen regisseurs studeren jaarlijks in Nederland af; gemiddeld drie uit Amsterdam en zes van de regieopleiding in Maastricht. Van de afgestudeerden van de afgelopen vijf, zes jaar is 95 procent aan het werk, zegt artistiek leider van de regieopleiding Jappe Claes. Op mooie plekken, bij goede gezelschappen. Maar de tussenstap van het productiehuis is daarbij wel cruciaal, aldus Claes. Zeven op de tien studenten gaan eerst daar aan de slag. „Het is hun stageperiode, een kennismaking met de praktijk. Kleinschalig beginnen voor publiek, oefenen, kunnen falen. Dat is de beste leerschool, zo ontwikkelen ze hun talent – dat kan nergens anders dan daar.”

De stap naar Frascati of de Haarlemse Toneelschuur is voor de Amsterdamse studenten volkomen vanzelfsprekend; de opleiding is daar zelfs deels op gericht. In het derde jaar praten ze al met de artistieke leiding van de huizen, en komen programmeurs kijken op school. In het vierde jaar gaan ze er aan de slag, maken ze er voorstellingen – ook omdat daar op school te weinig plek voor is.

Maar die verwachting zullen deze studenten bij moeten stellen. Diepenhorst: „Ik kan wel gaan praten met een productiehuis, maar ik heb geen idee of dat nog zin heeft als ik afstudeer. Opeens worden wij opgeleid voor een soort leegte.”

De verslagenheid is groot. Het dédain waarmee er over hun toekomstig vak wordt gesproken, steekt. Ze liggen krom om de opleiding te financieren (want ze hebben allemaal al een andere opleiding afgerond), zetten zich in met hart en ziel in, maar krijgen nu de boodschap dat er niemand op hen zit te wachten.

De Noorse Maren Bjørseth (27) kwam speciaal voor het veelzijdige theaterlandschap naar Nederland. „Dat wordt nu kapot gemaakt.” Sanne Nouws: „Wat je nu om je heen voelt is haat. Kunsthaat.”

In zijn brief schreef Zijlstra dat talentontwikkeling een zaak moet worden van de grote gezelschappen. Diepenhorst: „Maar ze krijgen daar geen extra geld voor, ze hebben de expertise niet, en nog belangrijker: ze krijgen geen tijd. Zij, en wij, moeten in anderhalf jaar een gigantische mentaliteitsomslag maken. De hele structuur moet anders ingericht. Het is bovendien allemaal heel tegenstrijdig: Zijlstra schrijft dat hij talentontwikkeling belangrijk vindt, en ook begrijpt dat daar niet veel publiek voor is. Hij laat het aan de gezelschappen, maar vervolgens eist hij van hen wel meer publieksbereik. Dat gaat niet samen.”

De staatssecretaris verwijst jong talent ook naar het Fonds Podiumkunsten, waar ze met een projectbudget diensten zouden kunnen inkopen van een productiehuis als Frascati, dat dan misschien in sterk gereduceerde vorm dankzij geld van de stad Amsterdam nog bestaat. Want jonge makers hebben zalen nodig, techniek, praktische ondersteuning. Maar dat scenario lijkt zelfs nog te rooskleurig, zegt Hilde Tuinstra (26, tweedejaars): „Kunnen wij straks nog wel geld krijgen van het fonds? Dat heeft al te veel taken voor veel minder geld. Beide routes zijn voor ons dus onzeker.” Sanne Nouws: „Daarbij, stel je krijgt wel iets, dan moet je straks bij elk project opnieuw aankloppen. Terwijl je je artistieke vorm wilt ontwikkelen, je iets blijvends wilt opbouwen. Wij hebben dan echt geen enkel perspectief op de langere termijn.”

Desgevraagd, maar met openlijke tegenzin, brainstormen ze over alternatieven; het cultureel ondernemerschap, contacten met het bedrijfsleven. Om te concluderen dat die er, op dit moment althans, niet zijn. Laurens Krispijn de Boer (derdejaars, 28): „Ik ben opgeleid tot regisseur, niet tot ondernemer. Moet ik dan straks Heineken gaan benaderen? Philips?” Tatiana Pratley: „Die bedrijven zitten toch helemaal niet te wachten op iemand die net van de opleiding komt? Als we al iets samen kunnen doen, hebben zij er ook meer aan als we ons al hebben bewezen.” Diepenhorst: „Het bedrijfsleven moet ook gestimuleerd worden verantwoordelijkheid te nemen. En dat gebeurt nu niet.” Karlijn Kistemaker (derdejaars, 24): „Bovendien: het kan niet zo zijn dat je wordt gesponsord door Shell en dan op toneel twintig keer benzine moet zeggen.”

Diepenhorst heeft meer fiducie in het mecenaat. „Ik geloof dat er rijke Nederlanders zijn die onbaatzuchtig in kunst zouden willen investeren. Maar dat moet mogelijk worden gemaakt en gestimuleerd. Je kan niet in anderhalf jaar een hele mecenaatstructuur opbouwen.”

Kortom, ze zitten klem. Voorlopig ziet geen van hen een uitweg. Maren Bjørseth: „Veel van ons zullen werk zoeken in het buitenland.” Pratley: „Maar als dan over tien jaar de artistiek leiders van grote gezelschappen hier vertrekken, is er niemand om ze op te volgen.”