Newton maakte wel veel herrie

Edward Dolnick neemt zijn lezers mee de rommelige zalen van de Royal Society in, waar wetenschappers geschiedenis schreven – tot zijn enthousiasme met hem op de loop gaat.

Edward Dolnick: The Clockwork Universe. Isaac Newton, the Royal Society, and the Birth of the Modern World. Harper Collins, 378 blz. €28,-

Het verhaal van hoe de moderne natuurwetenschap is ontstaan, laat zich op allerlei manieren vertellen. Daarbij maakt het veel uit hoe je tegen het verschijnsel wetenschap aankijkt. Je kunt er een neutraal verslag van maken, met veel nadruk op het cultureel-maatschappelijk kader waarin wetenschap in de 17de eeuw werd bedreven. Je kunt als ordenend beginsel een gevoel van afkeer kiezen van wat die moderne natuurwetenschap allemaal met zich mee heeft gebracht aan levensbedreigends en aan vervreemding van menselijke waarden. Je kunt ook de grote ontdekkers, Galilei, Kepler, Newton, in het middelpunt plaatsen en van je verhaal een epos maken, een lofzang zelfs op die geniale helden die licht brachten in het duister van ’s mensen onwetendheid.

De Amerikaanse journalist Edward Dolnick kiest resoluut voor de heldenvariant. Veel professionele wetenschapshistorici gruwen van die hele notie ‘helden van de wetenschap’. Ze hebben hun bekomst van geschiedschrijving als romantische triomftocht, ze vinden dat die heldenverhalen neerkomen op al dan niet goed bedoelde geschiedvervalsing, bedreven vooral met het oog op het legitimeren van wetenschap vandaag de dag. Maar je kunt je ook een aanpak voorstellen waarbij je niet in ouderwetse hagiografie vervalt, maar er bij alle noodzakelijke context ook recht aan doet dat het vaak eenlingen waren aan wie we de wereldschokkende doorbraken te danken hebben. Daar ben ik een voorstander van.

In hoeverre tref je nu in Dolnicks relaas van de wetenschappelijke revolutie zo’n verantwoord heldendom aan? Daarop past een genuanceerd antwoord, maar origineel voor een boek over dit onderwerp is in elk geval dat zijn helden een beetje stinken. Hiermee bedoel ik niet zozeer het onfrisse luchtje dat opstijgt uit het prioriteitsconflict tussen Newton (1643- 1727) en Leibniz (1646-1716) over de ontdekking van de differentiaal- en integraalrekening, waar Dolnick welingelicht en met smaak enkele passages aan wijdt. Nee, dat stinken kun je niet letterlijk genoeg nemen.

Uit de bladzijden van zijn boek walmt de pislucht je tegemoet die hing in de straten van Londen waar de Royal Society vergaderde of Newtons geleerde Latijnse verhandeling Principia werd gedrukt. Met een zekere wellust graaft Dolnick in al datgene wat radicaal onmodern was aan de tijd waarin de eerste moderne natuurwetenschappers de grondslagen legden voor onze moderne wereld. Je wassen en je tanden poetsen, of medelijden voelen met publiek opgehangen of gevierendeelde misdadigers – dat was er allemaal niet bij.

Ook van alles waar wij weet van hebben en ons met grote kans op succes tegen kunnen wapenen, zoals besmettelijke ziekten of waar je op de woelige baren van de oceaan nu precies uithangt ten opzichte van de meridiaan van Greenwich, maakte van het 17de-eeuwse leven geen deel uit. Dat gold al net zo hard wanneer je tot de elite behoorde. De paradox van tegelijkertijd modern en onmodern die Dolnicks hoofdthema vormt, strekt hij terecht ook uit tot minder direct-materiële aspecten. zoals de alchemie die Boyle en Newton intensief bedreven of de alomtegenwoordigheid van een doorgaans letterlijk beleefde godsdienstigheid.

Bij dit alles toont Dolnick zich geregeld een meester van de pittige formulering. Als hij het nogal los-vaste geëxperimenteer tijdens de wekelijkse sessies van de Royal Society wil karakteriseren, schrijft hij ‘Noise was always a great selling-point’, en je ziet het gezelschap voor je, in zijn jongensachtige plezier, in zijn wanordelijke rommeligheid, maar ook wel degelijk in de inventiviteit van de (in dit geval) akoestische experimenten waar met name de dienstdoende ‘Curator of Experiments’, Robert Hooke, wekelijks iets van leiding aan probeerde te geven.

Dolnick is geen vakman, maar hij heeft opgesnoven dat de vakspecialisten ruimte hebben gelaten voor een smakelijk verhaal. Intussen ambieert hij met zijn boek wel degelijk een niet alleen vlot leesbaar maar ook historisch verantwoord verslag te geven van de manier waarop in de 17de eeuw de moderne natuurwetenschap is ontstaan. En al heeft hij de moeite genomen zich in de literatuur te oriënteren, die verder strekkende pretentie maakt hij toch niet helemaal waar. Meer nog dan toch al gebruikelijk lijdt zijn boek ernstig aan anglocentrisme.

Toegegeven, doelbewust maakt hij Newton tot zijn hoofdfiguur, en de Royal Society biedt hem zowel een kader voor Newtons werk als een geschikte organisatie om dat dubbelkarakter van de 17de eeuw, het moderne en onmoderne, heel leesbaar aan te demonstreren. Ook maakt hij, om de wording van Newtons wiskundige werk begrijpelijk te maken, uitvoerige uitstapjes naar Galilei, Kepler en Descartes. Maar intussen heeft Swammerdam nooit bestaan, komt Newtons bijna-evenknie Christiaan Huygens nauwelijks in het relaas voor, en horen we van het andere grote wetenschappelijke genootschap uit de tweede helft van de 17de eeuw, de Parijse Académie Royale des Sciences, vrijwel niets.

Ook de tijdsvolgorde van de gebeurtenissen lijdt onder de gekozen opzet. Tussen begin en eind van de 17de eeuw moet de lezer voortdurend heen en weer springen. Ook gaat, bij Dolnicks resolute nadruk op de groeiende vermogens van de wiskundige wetenschap, zijn drang tot bewonderende uitleg steeds meer op de loop met wat nog verantwoorde geschiedschrijving heten mag. Zo wordt het ‘temmen van het oneindige’ meer een schoolboekjesverhaal dan een serieus historisch verslag van hoe reeksen wiskundigen, van Viète tot Leibniz, daadwerkelijk aan de vereniging van algebra en meetkunde en vervolgens aan de ontdekking van de differentiaal- en integraalrekening hebben bijgedragen.

Voor diepgang, kortom, kun beter elders terecht. Maar zoals er in de 18de eeuw een genre opkwam dat ‘amusante fysica’ placht te worden genoemd (via elektriseermachines opgewekte spanningsverschillen waar je schokkende kussen mee kon uitdelen of een heel regiment hand in hand mee kon laten opspringen), zo kan de lezer zich aan de hand van Edward Dolnick desgewenst vermaken met het nieuwe genre van de amusante wetenschapsgeschiedenis.

Floris Cohen is hoogleraar geschiedenis van de natuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht