Nederlandse kunst bloeit op Biënnale van Venetië

Toegegeven, de officiële Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië is dit jaar niet heel erg spraakmakend. Vergeleken met de spierballenkunst in de paviljoens van bijvoorbeeld Groot-Brittannië (Mike Nelsons labyrintische bunker) en de Verenigde Staten (Allora & Calzadilla’s omgevallen tank) is Guus Beumers gemeenschapsproject in het Nederlandse paviljoen wel heel subtiel. Toch maakt de Nederlandse kunstwereld dit jaar wel degelijk indruk in Venetië. Want behalve in het Nederlandse paviljoen zijn uit Nederland afkomstige kunstenaars en curatoren dit jaar alom aanwezig op het belangrijkste internationale kunstevenement ter wereld.

In het Deense paviljoen bijvoorbeeld, laat Wendelien van Oldenborgh een mooi videowerk zien en weet Han Hoogerbrugge met zijn animatiefilmpje van een vierhoofdige man veel bezoekers aan het grinniken te brengen. Ook het Poolse paviljoen, waar de Israëlisch-Nederlandse kunstenaar Yael Bartana een aangrijpend filmdrieluik toont, krijgt dit jaar veel waardering. En voor de hoofdtentoonstelling Illuminations werden de in Nederland wonende kunstenaars Navid Nuur, Nathaniel Mellors en Amalia Pica geselecteerd.

Prominent aanwezig in het Venetiaanse straatbeeld zijn ook de videoschermen van het Nederlandse project Dropstuff, waarop videogames van het Nederlandse duo Driessens/Verstappen gespeeld kunnen worden. Er wordt veel gepraat over het Roma Paviljoen, georganiseerd door Maria Hlavajova, directeur van de Nederlandse presentatie-instelling BAK. En keer op keer worden Nederlandse instellingen als het Fonds BKVB, de Mondriaan Stichting, de Rijksakademie of de galerie van Annet Gelink genoemd als coproducent – in de aftiteling van filmwerken bijvoorbeeld.

Die enorme exposure is te danken aan de unieke culturele infrastructuur die Nederland kent: een fijnmazig netwerk van fondsen, academies en postacademische instellingen, en van presentatieruimtes voor experimentele kunst. Dat juist die op vernieuwing en op de internationale markt gerichte instellingen zo hard worden aangepakt door staatssecretaris Halbe Zijlstra is wrang. Net nu de vruchten geplukt kunnen worden van een uniek door de staat gefinancierd stelsel, een systeem waar door andere landen met veel jaloezie naar gekeken wordt, wordt het vakkundig de nek omgedraaid.

De gevolgen voor de Nederlandse kunstwereld zullen catastrofaal zijn. Er zullen geen kunstenaars uit heel de wereld meer naar Amsterdam trekken om aan de Rijksakademie of De Ateliers te werken. Nederlandse galeriehouders zullen niet meer in die prachtige poel van talent kunnen vissen en zullen hun internationale concurrentiepositie verliezen. Kunstenaars krijgen geen kans meer om zich een aantal jaar op hun werk te concentreren en verliezen belangrijke plekken om dat werk te tonen. En wij, de kunstliefhebbers, krijgen die kunst niet meer te zien.

Wat dat betreft had Guus Beumer, die met zijn tentoonstelling in Venetië een ode aan de culturele infrastructuur wilde brengen, het paviljoen beter leeg kunnen laten. Dat had de lading beter gedekt.