Na de vergrijzing komt de verjonging

Waardoor is er zo weinig aandacht voor de aanstaande verjonging van de samenleving? Straks gaan we de AOW-leeftijd verhogen terwijl de vergrijzing alweer aan het dalen is.

Het eerste deel van de plaat kent u, hij is grijs gedraaid. Doordat we langer leven en we ons minder voortplanten is een bejaardengolf onderweg. Vooral vanaf dit jaar, 65 jaar na het begin van de babyboom van 1946-1948, barst de vergrijzing in alle hevigheid los. Tegenover de actieve beroepsbevolking staat een groeiend aantal 65-plussers. Een verhouding van 4 op 1 nu slaat om naar 2 op 1 in 2040. En omdat de huidige werkenden voornamelijk de kosten van zorg en AOW betalen, groeit er een financieringsprobleem waar de politiek niet omheen kan.

Een van de belangrijkste oplossingen die vorige week in het pensioenakkoord zijn overeengekomen: de AOW-gerechtigde leeftijd gaat in 2020 naar 66, in 2025 waarschijnlijk naar 67 en in 2040 eventueel naar 68 jaar.

Maar dan lijkt het denken op te houden. Jawel, we beseffen maar al te goed hoe problematisch de situatie is in 2040 – een situatie die overigens al decennia lang door deskundigen is voorspeld. Maar waarom is er zo weinig aandacht voor 2037, dat magische jaar slechts drie jaar daarvoor?

Uit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat er in Nederland dan iets heel bijzonders gebeurt. De vergrijzing gaat dalen, duidelijker en sneller dan in andere westerse landen. Daarnaast bereikt de vergrijzing een zichtbaar lagere piek dan landen om ons heen.

Hoe kan dat? Betekent dit dat al vrij snel na het eventuele verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd een scherpe daling van de lasten inzet? Dat Nederland op een stevig concurrentievoordeel afstevent? En zo ja, waarom horen we nooit iemand over deze bemoedigende vooruitzichten?

Demograaf Jan Latten van het Centraal Bureau voor de Statistiek plaatst vooral vraagtekens bij de voorgelegde cijfers. Wat zijn de aannames over migratie? „Als je van veel migratie uitgaat, dan heb je minder druk op de vergrijzing.”

Maar collega Leo van Wissen, hoogleraar economische demografie in Groningen, herkent direct de trendbreuk. „Die omslag in de vergrijzing klopt. Het ligt aan onze bevolkingsopbouw. Wij waren veel extremer in ons vruchtbaarheidsgedrag. Tussen 1950 en 1970 was er geen land te vinden waar de babyboom zo lang aanhield. Als die bult straks weg is, is er een veel snellere daling.”

Blijft de vraag waardoor wij zo een afwijkende bevolkingsopbouw hebben. Evert Ketting schatert van het lachen wanneer hij de vraag krijgt voorgelegd wat er in hemelsnaam in 1972 gebeurd is, 65 jaar voordat de vergrijzing zijn opmerkelijke daling inzet. De onderzoeker, verbonden aan de Universiteit van Nijmegen, studeert al vrijwel zijn hele werkzame leven op dit onderwerp. Op symposia in het buitenland krijgt hij ook vaak die vraag van vakgenoten. Het heeft voor een belangrijk deel te maken met de bijzondere geschiedenis van de Nederlandse geboortebeperking, weet hij.

„Het is een combinatie van Nederlandse factoren. Inderdaad hield Nederland een relatief hoog geboortecijfer tot eind jaren zestig. Vervolgens zorgt de introductie van de pil – vanaf 1971 zit de pil in het ziekenfondspakket – voor een revolutionaire daling van het aantal geboortes.” In een tijdsbestek van zes jaar daalde het geboortecijfer met eenderde.

Nergens in de wereld is de acceptatie van de anticonceptiepil zo algemeen en radicaal geweest als in Nederland. Is hier sprake van een ‘Organon-effect’? De pil is tenslotte ook een beetje een Nederlandse uitvinding. Ketting aarzelt. Zeker is dat Nederland een unieke distributie van de pil kent. Direct vanaf het begin werd die via huisartsen verstrekt, en ja, Organon moedigde die distributievorm achter de schermen zeker aan. „Vergeet niet dat Nederland eerst juist achterliep. Geboortebeperking was ook in andere landen jarenlang zondig, alleen daar hield men zich er niet aan. Maar calvinisten zijn recht in de leer. Geboortebeperking is geboortebeperking.”

Confessionele partijen hielden legalisering van abortus jarenlang tegen. Pas in 1984 verdween abortus onder bepaalde voorwaarden uit het strafrecht, terwijl sommige landen dat besluit al in de jaren zestig namen. De Nederlandse confessionelen werden daardoor juist liberaler met anticonceptie: abortus moet je niet legaliseren, maar voorkomen, werd hun standpunt in de jaren zeventig. Ketting: „In die jaren heeft Nederland roem vergaard met het succes van de aanmoediging en acceptatie van anticonceptie.”

Dat de pil al vroeg in het ziekenfondspakket kwam, was volgens Ketting financieel niet eens zo van belang. „Maar het gaf in combinatie met de verstrekking via de huisarts een enorme symbolische zegen. De geboorteregeling werd gemedicaliseerd.” Terwijl in het buitenland de pil alleen verkrijgbaar was in gespecialiseerde klinieken of onder de toonbank van drogisterijen, was het in Nederland bij de huisarts om de hoek verkrijgbaar. Het aantal ongewenste zwangerschappen daalde scherp. In de tweede helft van de jaren zestig was 45 procent van de zwangerschappen niet gepland. Tien jaar later was dat gedaald naar 12 procent. Tussen 1968 en 1978 daalde in België het aantal geboortes met 20 procent, in Frankrijk met 18 procent, in Nederland met maar liefst 33 procent.

Deze spectaculaire demografische omslag in ons land bereikt dus in 2037 de vergrijzingsstatistieken. Tot die tijd stijgt de vergrijzing eerst aanzienlijk, met een bovengemiddeld prijskaartje. Doordat veel zorg in Nederland collectief verzekerd is, meer dan in ons omringende landen, en doordat onze oudedagsvoorzieningen vergeleken met andere Europese landen royaal zijn, resulteert dat in extra hoge kosten. Nederland is jaarlijks 3,5 procent van het bruto binnenlands product aan langdurige zorg kwijt, bijna het drievoudige van het Europees gemiddelde.

Maar dat zou ook moeten betekenen dat de kosten bij afnemende vergrijzing bovengemiddeld dalen. Van Wissen: „Het aantal 65-plussers daalt vanaf 2037 in vijftien jaar van 25 naar 23 procent. We praten hier niet over klein bier.” Ter vergelijking: in Frankrijk stijgt het aantal 65-plussers die jaren juist door van 25 naar ruim 26 procent. In Duitsland ligt het percentage op 31 en stijgt het daarna nog licht. Italië gaat in die jaren van 31 naar 34 procent.

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft vele studies verricht naar de gevolgen van de vergrijzing, vooral over wat het allemaal kost. Maar wat zijn de ‘opbrengsten’ na 2037, als de verjeugding van Nederland inzet? CPB-onderzoeker Albert van der Horst, vergrijzingsdeskundige, bestrijdt dat het CPB geen oog heeft voor deze ontwikkeling. „Met de daling van de afhankelijkheidsratio na 2040 houden we in onze analyses nadrukkelijk rekening. De daling is zeker geen peanuts”. Maar hij wijst erop dat de verhouding 65-plussers op de groep 20-64 eerst groeit van 25 naar 50 procent en daarna daalt naar 45 procent. De eerste beweging slaat een groot gat in de overheidsfinanciën. De oplopende kosten in de komende kwart eeuw zullen zonder bijsturing de staatsschuld zo doen oplopen dat daarna de rentelasten veel groter zullen zijn dan de ‘meevaller’ van de ontgrijzing.

Demograaf Van Wissen, tevens directeur van demografisch onderzoeksinstituut Nidi, is niettemin enthousiast: „Dit is een relevant nieuw element waar ons instituut vervolgonderzoek naar gaat doen.”