Macht en cultuur

Aan de zaterdagse column van Hans Goslinga in Trouw van 11 juni ontleen ik dat voormalig VVD-leider Frits Bolkestein onlangs in The Wall Street Journal de vraag heeft pogen te beantwoorden „waarom Europa het geloof in zijn eigen beschaving heeft verloren”. Een interessante vraag, die evenwel uitgaat van twee onbewezen premisses:1. Heeft Europa een eigen beschaving en niet veeleer een veelheid aan beschavingen? 2. Als Europa een eigen beschaving heeft, heeft het zijn geloof erin verloren?

Maar laten we van die premisses uitgaan en dus, met Bolkestein, geloven dat Europa het geloof in zijn beschaving heeft verloren. Wat is de verklaring die Bolkestein ervoor geeft? Het zijn in feite twee verklaringen. De eerste is de christelijke schuldcultuur, de tweede de herinnering aan de twee wereldoorlogen, die ons onzeker hebben gemaakt omtrent eigen cultuur en de deur heeft geopend naar de multiculturele samenleving, „die ons gelast niet te oordelen over wat anders is”.

Ik ontleen deze samenvatting aan Goslinga, erop vertrouwend dat zij juist is. Het artikel van Bolkestein in de WSJ heb ik zelf niet gelezen. Ik wil me dus niet in het debat mengen, maar me beperken tot enkele opmerkingen over Goslinga’s verweer tegen Bolkesteins stellingen. Goslinga meent dat Bolkestein het debat over de multiculturele samenleving „op een verkeerd spoor heeft gezet door de Europese cultuur als superieur af te zetten tegen de islamitische”.

Of Bolkestein dit inderdaad gedaan heeft, laat ik in het midden, maar het geloof in iets – in dit geval de Europese cultuur – impliceert toch het geloof in zijn superioriteit? Je kunt toch niet geloven in iets waarvan je de inferioriteit of zelfs de gelijkwaardigheid met iets anders bereid bent aan te nemen? Dan twijfel je toch al bij voorbaat aan, in dit geval, de Europese cultuur?

Goslinga verwijt Bolkestein vervolgens dat „de cultuurkwestie voor hem in wezen een machtskwestie is”. Waarop dit verwijt gebaseerd is, is niet helemaal duidelijk, maar de vraag rijst wél of we cultuur en macht wel zo gemakkelijk kunnen scheiden. Is de uitstraling of invloed van een cultuur niet deels afhankelijk van de macht die erachter schuilt? (Nota bene: ik heb het niet over de intrinsieke kwaliteit van een cultuur. Wie weet welke schatten er voor ons schuilen in, zeg, de Letse of Litouwse cultuur?)

Laten we Nederland als voorbeeld nemen. Is het toeval dat de Nederlandse cultuur haar bloeitijd beleefde en haar grootste uitstraling had in de Gouden Eeuw, toen het rijke Nederland tevens een grote mogendheid was, hoewel het nauwelijks twee miljoen inwoners telde?

Dit werd toen al als een soort wonder beschouwd. Nederlandse kunstenaars waren over de toenmalige wereld bekend, en ook de Nederlandse wetenschap stond hoog aangeschreven. Studenten uit Schotland, Duitsland, Polen en andere landen kwamen in Leiden en Utrecht studeren. En tegelijkertijd won Nederland een oorlog tegen het Spaanse wereldrijk en was het een geduchte tegenstander voor Frankrijk en Engeland. Zou er tussen die twee verschijnselen geen enkel verband bestaan?

In de achttiende, eigenlijk al in de tweede helft van de zeventiende, eeuw nam de Nederlandse macht af, al was het alleen maar doordat Frankrijk en Engeland in de eerste helft door binnenlandse twisten verdeeld waren. Na het einde daarvan ging de geo- en demografische grootte van die landen gewicht in de schaal leggen en taande de Nederlandse macht. Ook zijn cultuur verloor allengs haar uitstraling. Toeval?

Natuurlijk zou het te simpel zijn om een equatie tussen macht en cultuur vast te stellen. De Duitse dichters en denkers hadden al een grote invloed voordat er een Duits rijk bestond. Er zijn dus ook andere factoren in het spel, maar er lijkt een soort correlatie tussen macht en cultuur te bestaan, met als meest sprekende voorbeelden: Frankrijk, Engeland, Amerika en Rusland (niet daarentegen de Sovjetunie), terwijl Nederland nog steeds zijn Gouden Eeuw niet te boven is en lijdt aan wat de historicus Kernkamp eens noemde: „de prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden”.

Wie twijfelt aan zijn eigen cultuur, twijfelt aan zijn eigen identiteit. Een identiteit nu valt niet in een luchtledig te bepalen. Daarvoor is een tegenstelling met een ander nodig. Identiteit is anders-zijn. Geen wonder dat de vraag naar identiteit is begonnen op te komen nadat de Nederlandse samenleving werd geconfronteerd met steeds meer allochtonen die zich hier kwamen vestigen.

Wanneer Goslinga zegt dat Bolkestein, Pim Fortuyn en Geert Wilders „de cultuurkwestie in het perspectief hebben geplaatst van een machtstrijd tegen een vijandige ideologie, niet van een zoektocht naar de eigen identiteit”, dan creëert hij een oneigenlijke tegenstelling: tussen ons denken over eigen identiteit en een vijanddenken staat geen onoverwinbare barrière. Velen springen er al te gemakkelijk overheen. Danken vele naties hun bestaan, dus hun identiteit, niet aan een opstand tegen een vijand?

Christenen en socialisten, die beiden een ideale samenleving voor ogen hebben, valt het moeilijk dit te erkennen, maar helaas: geen samenleving is ideaal. Alle pogingen het ideaal te bereiken, zijn mislukt – ten koste van ontelbare slachtoffers. Doormodderen is dus de levensles.