Liefhebben als de grootsten

Piet Gerbrandy: Smijdige witheid. Een vertroosting. Contact, 55 blz. € 19,95

Smijdige witheid heet de achtste bundel van Piet Gerbrandy. Zo’n titel suggereert minneluim, met blank, kneedbaar vlees als object. En inderdaad: Smijdige witheid gaat over de liefde. Over lijflijke liefde ook, maar het lichamelijke aspect van het amoureuze handelen wordt niet beschreven vanuit de emotie, maar vanuit het verstand. Meer dan een poëziebundel is deze uitgave dan ook een zevenvoudig traktaat.

Achtereenvolgens biedt Gerbrandy een verhalende tekst, een dialoog, een brief aan een geliefde, een prozafragment, een essay, een apologie (naar die van Socrates) en een afsluitende prozatekst. Gedichten larderen de teksten als commentaar. Het perspectief van de broodteksten wisselt van wij, of ik, naar je en zij. Menig standpunt komt dus aan bod en terloops ook een poëtica.

‘Een vertroosting’ luidt de ondertitel. Dat moet wel een allusie zijn op Over de vertroosting der wijsbegeerte (ca. 525) van Boëthius. Gerbrandy citeert hem uitvoerig in het essay ‘Een welgeronde bol’ en als kort motto bij de dialoog ‘Zonder kleerscheuren’. ‘Wie zou verliefden de wet voorschrijven,’ luidt de vertaling van dat motto. Maar die wet is er bij tijden ogenschijnlijk wel in Smijdige witheid. De liefdesbrief ‘Ultieme troost’ verwijst naar De Amore libri tres (Drie boeken over de liefde, 1174-1186) van de Franse schrijver Andreas Capellanus. ‘Liefde’, stelde deze, ‘is een aangeboren aandoening, die zich ontwikkelt vanuit het zien en het onmatig denken aan de schoonheid van het andere geslacht, waardoor iemand boven alles begeert de omhelzingen van de ander deelachtig te worden, en vanuit beider verlangen in de omhelzing van die ander alle voorschriften van de liefde te vervullen.’

Commentaar

Het commentaar van Gerbrandy’s briefschrijver is droog rationeel. ‘Als dat’, stelt hij, ‘afgezien van Capellanus’ middeleeuwse kijk op seksuele geaardheden, correct is, wil ik wat tussen ons bestaat, of gaande is, wel liefde noemen.’ Maar de voorschriften wil hij liefst niet letterlijk nemen.

Essentieel in de definitie van Andreas Capellanus is dat niet de vervulling, maar het verlangen de kern van liefde is. Liefde tussen echtelieden is dan ondenkbaar. Deze conclusie brengt de schrijver van ‘Ultieme troost’ tot een brede verhandeling over het ideaal van een zuivere liefde. Maar ten slotte blijkt hij toch niet van steen. ‘Ik presenteer mijn liefde als zuiver’, besluit hij de brief, ‘maar kan niet garanderen dat ik niet toch, mocht de gelegenheid zich aandienen, met je zou willen vrijen zonder ‘de ultieme troost’ achterwege te laten. Daarom is het goed dat je vertrokken bent.’

In hetzelfde essay legt Piet Gerbrandy een verband tussen liefde en poëzie. ‘Hoe luidt de hechtste band?’ vraagt hij. ‘Het gedicht? Het ligt er maar aan waar je op let, op de geest, de ziel of het lichaam. Indien het laatste, dan gooit het gedicht hoge ogen, mits de dichter de klanken heeft laten vloeien of de woorden als in een mozaïek om elkaar heen heeft gelegd, wat niet in alle talen kan.

Hoe dan ook moet het ene woord het andere oproepen, rijmwoorden dienen elkaar te begrijpen en te omarmen. De regels als verstrengelde armen of benen, witregels als de ruimte daartussen. Te veel wit kan dodelijk zijn: de woorden weten elkaar niet meer te raken.’ En dan volgt, na een witregel, de vraag ‘Als wij een gedicht vormen, tot welk genre behoren wij dan?’

Heeft de geest de overhand, dan bestaat de hechtste band volgens Gerbrandy in een perfect sluitend syllogisme, zoals

alle gedichten zijn eindig

ons samenzijn is een gedicht

ons samenzijn is dus eindig

Het zal duidelijk zijn: Smijdige witheid is een boek voor fijnproevers. Opvallend dan is het eenvoudige idioom van de gedichten in deze bundel. Verbazingwekkend ook voor wie de eerdere bundels van Gerbrandy las. ‘Virtuoos woordgebak’ was een etiket dat passend leek voor zijn dichtwerk.

Fiets

In zijn achtste bundel is Piet Gerbrandy bovenal een zanger. Zoals in het prozafragment ‘Een steenworp afstand’. De schrijver neemt daarin afscheid van een fiets. De resten van een stenen schuur of schaapskooi blijken een goede plek voor verroesting. En ook de geschikte de plek voor een ontmoeting. Maar eerst, na de bijzetting van het fietswrak, is er een lied:

Zie je hoe de heuveltop

zich losmaakt uit de nevel.

Zie je hoe het stenen kruis

zich geeft aan zon en regen.

Twee raven strijken erop neer

hun veervacht blauw en glanzend.

Twee raven rusten na de jacht

op uitgestrekte armen.

Weet je wie hun voedsel bood

vanmorgen in de vroegte.

Weet je wiens verwachte dood

hun leeftocht heeft gegeven.

Zie je ginds dat struikgewas

beschutting tegen vlagen.

Weet je wat daaronder ligt.

Twee laarzen zonder zolen.

Dan volgt de ontmoeting, met een korte nabeschouwing naar Aristoteles en Boëthius. En de steelse conclusie ‘Merk op dat de fiets niet terugkomt aan het einde.’

Gerbrandy blijft verbazen.