Kermisparade van Moedertje Rusland in koel 'Jevgeny Onjegin'

Jevgeny Onjegin van P.I. Tsjaikovski door De Nederlandse Opera/Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gezien: 14/6 Muziektheater A’dam. Aldaar t/m 10/7. Trailer en reserveren: dno.nl Live filmvertoning in het Oosterpark op 23/6 20u. Live op Ned. 2: 26/6, 13u.Muziek **** /Regie ***

Het ziet er allemaal extreem prachtig uit: een balzaal van groen marmer met zoevende, notenhouten liftdeuren. Een bijpassend slaapkamerameublement. En in het midden een glazen kubus met roterende schuifwanden als spiegelpaleis van de verbeelding en de herinnering.

De Nederlandse Opera sluit het seizoen af met, na Der Rosenkavalier, weer een productie op muzikaal topniveau: het Koninklijk Concertgebouw staat in Jevgeny Onjegin onder leiding van chef-dirigent Mariss Jansons, de cast is met grote zorg samengesteld.

Regisseur Stefan Herheim excelleert, zoals dezer dagen ook met Les Huguenots in de Brusselse Munt, in theatrale vondsten die wortelen in de muziek. Neem het begin: daar klinkt blikkerig op band niet de gewone introductie, maar de feestmuziek uit de derde akte terwijl ook op het podium de hooggeplaatste beaumonde arriveert voor het bal.

De plot van Jevgeny Onjegin, naar Poesjkins rijmroman, kantelt halverwege. Eerst is het naïeve landmeisje Tatjana verliefd op de cynische dandy Onjegin, maar wijst hij haar af. Jaren later hervindt hij – zelf ontbolsterd door het leven – Tatjana als hooggeplaatste en niet meer zo naïeve vorstin – waarop zij hém afwijst.

Onjegin is een opera die draait om het verlangen naar wat was, niet is, had kunnen worden, maar nooit zal zijn. In die zin is het logisch dat Herheim daar, bij smachten en herinnering, het hart van zijn enscenering legt. Heden en verleden, in de opera chronologisch gescheiden, lopen vloeibaar in elkaar over.

Dat concept is bewonderenswaardig consequent (soms op het vermoeiende af) uitgevoerd: overal waar Tatjana is, duikt ook Onjegin op – als man of als schim. En overal waar Onjegin is, is Tatjana – nu eens als jong meisje, dan weer als de rijpe vorstin.

Die trouvaille voegt soms een betekenislaag toe, maar is onbegrijpelijk als je de opera niet goed kent. Wat doet die vent (Tatjana’s latere man) in dat bed wanneer zij daar haar liefdesbrief aan Onjegin schrijft? Waarom duiken er opeens twee jamkokende oude vrouwtjes op tussen het mondaine feestgedruis? Dat het schimmen van verleden of toekomst zijn, heeft het verhaal nog niet onthuld, en moet je dus weten. Dat geldt ook voor sommige grapjes: Monsieur Triquet (minirolletje) oogt als componist Lully, inclusief t ritmestok en verbonden voet. Alleen leuk voor wie de muziekgeschiedenis kent.

Naast dat streng conceptuele koos Herheim ervoor Onjegin – muzikaal rijk aan folkloristische invloeden, immers - te vervatten als een kermisparade van moedertje Rusland. Atleten in CCCP-hemdjes, Sovjetbonzen, Bolsjoidansers, rokende vrieskou – geen cliché ontbreekt. Dat geeft een hoop spektakel (Vuur! Bruine beer! Astronauten!) maar staat meeleven in de weg: logisch dat na afloop loeiende afkeur én bijval klonken.

Mariss Jansons weet beter hoe hij folklore kan laten vlammen en liefdeszuchten kan laten schuren. Soms – prelude tweede bedrijf – bereikt het Concertgebouworkest een klank die je direct door merg in been gaat, zo zielskervend intens. In de eerste scènes bleef Jansons meer op afstand; daar kan het reliëf in dynamiek en tempo nog verdiepen.

Dat afstandelijke geldt ook voor de cast, vol stemmen die tijd nodig hadden om warm te draaien. Bo Skovhus is getypecast als Onjegin: zijn bariton is er een van het koele soort – empathie wekt hij eigenlijk alleen op in het liefdesduet aan het slot.

Tatjana (Krassimira Stoyanova) zingt rijp en warm, en is daarom als jong meisje minder sterk. Echt imponerend zijn de bijdragen van het koor van De Nederlandse Opera en Mikhail Petrenko als Gremin: een stem als een kathedraal, zonder moeite, zonder koelte.

Gremins aria ontroert, terwijl deze Onjegin daar verder te weinig ruimte voor laat. Dat is het voornaamste bezwaar tegen Herheims virtuoze enscenering: psychologische ontwikkeling is ingeruild voor een doolhof van heden en verleden. Daardoor mis je de essentie van Poesjkins liefdestragiek: twee mensen wier ontwikkeling een omgekeerde baan beslaat, waardoor hun levens elkaar wel kruizen, maar nooit bestuiven.