In Hawaï-shirt naar kantoor

Door de aardbeving en tsunami zijn tientallen kerncentrales in Japan stilgelegd. Er moet stroom worden bespaard. Japanners stellen voorzichtig vragen over hun consumptiecultuur.

Op het kantoor van het Japanse ministerie van Milieu brandt geen licht en staat de airconditioning uit. Ambtenaren dragen luchtige vrijetijdskleding in plaats van een strak pak en de ramen staan open, zodat het toch nog een beetje koel is.

Het is allemaal onderdeel van een van de vele programma’s van de Japanse overheid om energie te besparen nu 35 van de 54 kerncentrales stilliggen. De tsunami in maart heeft een dreun uitgedeeld aan het land dat afhankelijk is van kernenergie.

Niet alleen de kernreactoren in Fukushima kwamen stil te liggen, ook andere zijn buiten werking. Centrales die voor de beving stilstonden wegens onderhoud worden voorlopig niet ingeschakeld. In totaal is meer dan 32.000 megawatt aan productiecapaciteit verloren – zo’n tien keer het vermogen van het Nederlandse energiebedrijf Essent.

In een op massaconsumptie en massaproductie gericht land is de impact daarvan groot. ‘Fukushima’ heeft dan ook bij veel Japanners geleid tot voorzichtige bezinning over die massacultuur, waarvan de grenzen zouden zijn bereikt.

De campagne op het ministerie van Milieu heet ‘Super Cool Biz’ en is een opgekrikte versie van een soortgelijk programma dat vijf jaar geleden werd begonnen. Nu de urgentie extra groot is, mogen ambtenaren op hun werk ook poloshirts, Hawaï-shirts en spijkerbroeken dragen.

„Het idee was dat de airconditioning niet zo hard aan hoefde als zakenlui geen jasje en das droegen”, zegt woordvoerder Kazuhara Aizawa van het ministerie. In de zomer stijgt het kwik in de dichtbebouwde Japanse steden tot 40 graden Celsius en om het nog een beetje uit te kunnen houden gaat massaal de airco aan. De campagne had succes. Volgens een recent onderzoek zet bijna 62 procent van de Japanners de airconditioning nu iets zachter tijdens de zomer. Ook in andere sectoren wordt gezocht naar manieren om de zomer door te komen zonder dat airconditioning de stroomvoorziening in gevaar brengt. Veel bedrijven hebben in de koele maanden hun productie opgevoerd zodat ze in augustus voldoende voorraad hebben en dan machines stil kunnen leggen. En het altijd helverlichte Tokio is sinds de tsunami een stuk donkerder geworden.

Om meer bedrijven over te halen zijn voorbeeld te volgen, hield het ministerie eerder deze maand een modeshow. „De modellen waren nieuwslezers van tv-omroepen en Japanse modeontwerper Takeo Kikuchi fungeerde als adviseur”, aldus woordvoerder Aizawa. Maar in de straten van Tokio is nog weinig te merken van ‘Super Cool Biz’. De meeste zakenlui dragen weliswaar geen das en velen hebben hun jasje uit, maar polo- en Hawaï-shirts zijn nauwelijks te zien.

„Ik vind het idee goed”, zegt Hiroshi Yokoyama, een 50-jarige werknemer van een IT-bedrijf, „maar het hangt van het bedrijf af. Ik werk met banken en financiële bedrijven en het is ondenkbaar om daar in vrijetijdskleding aan te komen”. De 39-jarige ondernemer Kaoru Abiko zegt dat het „door mijn klanten als onbeschoft wordt ervaren”.

Het ministerie van Milieu heeft geen Japanse kleding op het lijstje gezet van toegestane werkkleding. Kenichi Nakamura vindt dat jammer. Hij is directeur van Tansuya, de grootste keten van kimonozaken. „Japanse kleding is het beste voor het Japanse klimaat.” Maar hij weet dat traditionele kleren inmiddels exotisch worden gevonden. „Als een werknemer ze zou dragen op weg naar een klant, zou zijn baas hem onmiddellijk tegenhouden.” Op het ministerie zal je die kleding dan ook niet aantreffen. Woordvoerder Aizawa zou persoonlijk traditionele kleding graag toegestaan zien. „Veel beter dan Hawaï-shirts. Ik snap niet dat die op de lijst staan wanneer we zelf zulke koele kleding hebben.”

Dit is de eerste bijdrage van onze nieuwe correspondent in Japan.