'Ik demonteer alles'

Al jaren graaft hij het verleden van Libië op, hoewel Libiërs zelf niets hebben met hun verleden. Daarnaast is Jean-Marie Blas de Roblès een verhalenverteller. ‘Bronvermeldingen verstoren de illusie van de roman.’

‘Nee, ik ben helemaal geen globetrotter. Dat heeft mijn uitgever op de achterflap gezet, omdat het goed klinkt. Ik heb wel veel in het buitenland gewoond, maar altijd vanwege werk. Ik houd niet van reizen om het reizen. Ik heb twee idiote passies: schrijven en onderwaterarcheologie.’ Aan het woord is Jean-Marie Blas de Roblès, auteur van Waar de tijgers thuis zijn en van de onlangs vertaalde kleine roman Middernachtsberg.

Al twintig jaar gaat hij iedere zomer naar Libië, waar een Frans team opgravingen doet. Hij is bezorgd. „Ik heb al een tijdje geen nieuws van mijn Libische vrienden. De politieke situatie daar is onbegrijpelijk. Waarom zijn we daar in ’s hemelsnaam oorlog gaan voeren? Waarom een zogenaamde opstand ondersteunen waarover ik in al die jaren nog nooit heb horen praten? De mensen in Libië waren helemaal niet zo ontevreden. Er was wel een tegenstelling tussen de bevolking uit de regio Cyrenaica en die uit de streek rond Tripoli. De eersten voelen zich meer thuis bij Egypte en Syrië, staan dichter bij hun Grieks-Romeinse oorsprong. In die regio wordt de olie geproduceerd. De stammen uit Tripoli, waartoe Gaddafi behoort, verkopen de olie. Ze kijken neer op de armere inwoners van Cyrenaica, zoals Parijzenaars neerkijken op Marseillanen.

De bevolking van Cerenaica heeft genoeg van haar armoede en neigt ertoe zich aan te sluiten bij islamistische en fundamentalistische bewegingen. Ze wilde misschien wel in de voetsporen treden van de opstandelingen in Tunesië en Egypte om een einde te maken aan haar ondergeschikte positie. Maar om als Europa nou op oorlogspad te gaan... Het draait allemaal om de olie. Ik denk dat het zal uitlopen op een tweedeling van Libië.’’

Aan wat voor archeologisch project werkte u al die jaren in Libië?

„Sinds twintig jaar doe ik met een Frans team opgravingen naar de klassieke stad Apollonia van Cyrenaica en de oude haven van Sirene, van 700 jaar voor Christus. We hebben fantastische ontdekkingen gedaan. In Libië zelf was er nooit enige aandacht voor archeologie. Gaddafi minacht alles wat met geschiedenis te maken heeft. Ik ben erg bang voor het lot van de musea. De Libiërs hebben, sinds hij aan de macht is, alleen maar onzin geleerd. Aan hun culturele erfgoed spenderen ze geen cent. Wij hebben het nodige kapitaal voor ons onderzoek zelf uit Frankrijk meegenomen, we moeten bivakkeren in een oude, smerige Italiaanse kazerne uit WO II. We waren de eersten die daar, sinds 2700 jaar, onder water hebben gekeken, naar de oude haven en de stad. Door een aardverschuiving ligt nu alles 4 meter onder water. We hebben de hele geschiedenis ervan in kaart gebracht. Een van de spectaculairste ontdekkingen bestond uit prachtige klassieke vijvers, waarmee de rijke Romeinen pronkten. We hebben twee geweldige beelden gevonden, waaronder een bijna perfect hoofd van Ptolemeus III. Ach, ik kan u zoveel mooie verhalen vertellen.’’

Het zijn duidelijk de verhalen die de brug slaan tussen Blas de Roblès’ passies, literatuur en archeologie. Hij is een verhalenverteller, zoals hij heeft laten zien in de vuistdikke roman Waar de tijgers thuis zijn. Maar er is ook een andere link: zijn fascinatie voor het onderscheiden van echt en onecht. Blas de Roblès: „Ik ben altijd bezig bedriegers te ontmaskeren. Ik haat bedrog. Ik ben niet gelovig, ik ben een cartesiaan, een rationalist. Ik demonteer alles en zoek de waarheid. Niet de absolute waarheid, zoals gelovigen doen, maar de wetenschappelijke waarheid.’’

Toch is er tussen uw twee meest recente boeken geen groter contrast denkbaar: vuistdik versus dun, allesomvattend versus één verhaallijn, eeuwenomspannend versus hedendaags.

„Voor mij is het een geheel. Beide boeken zijn onderdeel van een enorm project. In mijn bundel La mémoire de riz (1982), ben ik bij al mijn verhalen uitgegaan van een van de 21 tarotkaarten. Ik trok een kaart en verzon daar een verhaal bij. Ik bedacht toen dat ik over ieder personage, uit ieder verhaal, een roman zou schrijven. Dat ben ik nog steeds aan het doen.

„In mijn eerste verhaal zit Eléazard bijvoorbeeld, uit Waar de tijgers thuis zijn en je vindt ook Roetgen steeds terug. Het is een literair spel dat me in staat stelt een coherent universum te creëren. En wat betreft de stijl: ja, ik voel me nu meer aangetrokken tot een sobere, geciseleerde vorm, die dichtbij de poëzie staat. Bij zo’n dik boek als mijn vorige roman kon ik dat niet doen, dat vergt te veel van de lezer.”

Middernachtsberg is enerzijds een korte roman over twee mensen die zich schuldig voelen, anderzijds een ontkrachting van een mythe: die volgens welke een occulte tak van de nazi’s ontstaan zou zijn uit Tibetaans gedachtegoed. Een veronderstelling waar ook nu nog neo-nazi’s geloof aan hechten.

„Mijn boek is gebaseerd op twee anekdotes. Mijn beste vriend vertelde me ooit het waargebeurde verhaal van de moeder van mijn personage Rose. Een verzetsvrouw, gemarteld door een Franse collaborateur, hoort na de oorlog van haar dochter dat ze al jaren samenwerkt met de man die haar beul was. Ze pleegt zelfmoord. Het verhaal van mijn tweede hoofdpersoon, Bastien, werd me door een kennis verteld. Een hoogleraar oriëntalistiek ontdekte dat een conciërge alles wist van Tibet, zonder er ooit te zijn geweest. De man zei dat hij deel had uitgemaakt van de Tibetaanse brigades, een SS-sectie. Hij droomde ervan de Potala, de heilige berg, te zien; een docente nam hem mee en hij stierf er aan een hartstilstand. Die twee verhalen wilde ik vertellen: een ontmoeting tussen twee mensen die zich schuldig voelen, mensen die elkaar ontmoeten en iets goed kunnen maken. Een verhaal van ontmoeting en verlossing.”

Voordat hij aan zijn boek begon, ging Blas de Roblès na wat er waar was van de verhalen. Het verhaal van Rose bleek waar, hij veranderde namen en plaatsen. Daarna onderzocht hij het verhaal van de Tibetaanse brigades. „Dat was een doos van Pandora. Heel internet staat er vol mee, het is onderdeel van de hedendaagse neo- nazi-ideologie, die verkondigt dat Hitler in Tibet de ware macht zou hebben gevonden. Die brigades hebben nooit bestaan, er is nooit enig verband geweest tussen Tibet en de nazi’s. Ik heb alles tot op de bodem uitgezocht. Mijn verhaal bleek een sprookje – maar wel een heel gevaarlijk sprookje. Ik had weer een leugen te pakken, weer bedrog te ontrafelen.”

De leugens die u ontdekte waren door literatuur, door fictie, de wereld in gekomen. In wezen is uw roman te vergelijken met ‘De Joodse begraafplaats’ van Umberto Eco, die aangeeft hoe de mythe van ‘De Protocollen van de wijzen van Zion’ door de eeuwen heen tot stand is gekomen en welke enorme schade die heeft aangericht.

„Absoluut. Ik heb Eco’s nieuwe roman nog niet gelezen, maar de mythe die ik ontkracht, die van Tibet en het nazisme, is tot stand gekomen door fictie. Literatuur was de motor. In mijn laatste hoofdstuk laat ik zien hoe dat in zijn werk is gegaan, van De zeven koppen van de groene draak van Teddy Legrand (1933) tot De dageraad der magiërs van Louis Pauwels en Jacques Bergier (1960). Het zijn gevaarlijke romans, waarin je ook verwijzingen vindt naar De Protocollen van de Wijzen van Zion. Daarin wordt zogenaamd aangetoond dat de Joden de wereldheerschappij willen vestigen, ze worden van alles en nog wat beschuldigd. Alle neonazi’s, alle hardcore fundamentalisten citeren eruit, ook Indonesische machthebbers, ook de imam van de moskee in Kaïro, ook de vader van Tariq Ramadan.

De romanschrijver is de historicus van het heden, laat u uw personage zeggen, en de historicus is de romanschrijver van het verleden.

„Ze moeten allebei de waarheid verzinnen, voeg ik er als voorwaarde aan toe. Geschiedenis is voor mij geen wetenschap. Archeologie wel. Geschiedenis valt – de naam zegt het al – onder menswetenschappen, tussen fictie en wetenschap. Met Borges vind ik dat geschiedenis een onderdeel is van de literatuur. Die paradox van de waarheid verzinnen is verwant met mijn doel, de ontmaskering van het bedrog.”

Uw boek eindigt met documenten, met feiten, maar zonder bronvermelding.

Met die documenten demonteer ik de mythe. Mijn uitgever wilde absoluut niet dat ik de bronnen zou vermelden, dat zou de illusie van de roman verstoren en de lezer wegjagen. Om aan te tonen dat de mythe onzinnig was, moest ik uit de fictie stappen en terugkeren naar de werkelijkheid. Stijl, poëzie waren niet meer van belang, ik moest terug naar de realiteit. Literatuur kan gevaarlijk zijn als ze onwaarheden vertelt, als ze een criminele mythologie ondersteunt. Ik moest mijn verhaal vertellen en het tegelijkertijd onderuit halen.”

Jean-Marie Blas de Roblès: Middernachtsberg. Vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer. Ailantus, 192 blz. € 17,95Jean-Marie Blas de Roblès: Waar de tijgers thuis zijn. Vert. Karina van Santen, Martine Vosmaer en Martine Woudt. Ailantus, 663 blz. € 19,95