Het gevaar zit in een klein boekje

Christopher Krebs: Het gevaarlijke boek. De Germania en de opkomst van het nazisme. Vert. uit het Duits door Rob de Ridder. Het Spectrum, 272 blz. € 25,-

Het begin van het verhaal is puur Indiana Jones. Een detachement SS’ers valt in de herfst van 1943 een Noord- Italiaanse villa binnen, en kamt met het nodige geweld de kamers uit. Het is ze niet te doen om joden of om politieke tegenstanders. Ook niet om belastend materiaal. Integendeel, wat ze zoeken is een foliant uit de 15de eeuw waarin het oudste handschrift is opgenomen van het favoriete boek van de Reichsführer SS, Heinrich Himmler: de Germania van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. Een monografie over de oorsprong en gewoonten van de oude Germanen die volgens Himmler een glorieus beeld gaf van de ‘indrukwekkendheid, zuiverheid en edelheid’ van het Duitse verleden. ‘Zo zullen we weer zijn, althans een aantal onzer,’ had hij na een eerste lezing in 1924 in zijn dagboek geschreven.

De 15de-eeuwse codex werd bij de huiszoeking niet gevonden; de heer des huizes, een graaf met een flinke privébibliotheek, had hem in veiligheid gebracht. Maar de mislukte inval is een mooi beginpunt voor Christopher Krebs’ reconstructie van het lot van de Germania door de eeuwen heen. Hij gaat terug tot het jaar 100, wanneer senator Tacitus zijn Over de oorsprong en gebruiken van de Germanen publiceert. Een etnografie, maar dan geschreven door iemand die nog nooit over de Rijn was geweest en die met zijn beeld van de dappere onbedorven barbaren vooral zijn decadente tijdgenoten een spiegel wilde voorhouden.

Geen wonder dat Krebs het boekje later aanduidt als ‘Romeinse fictie’. Maar zoals de compleet verzonnen, antisemitische Protocollen van de Wijzen van Zion hebben bewezen, kan fictie levensgevaarlijk zijn. In het geval van de Germania duurde dat even. Tot het midden van de 15de eeuw, toen humanistische handschriftenjagers een aantal Tacituswerken uit een Duits klooster opdoken, had niemand in Noord-Europa van het boek gehoord. Maar daarna ging het snel. Duitse geleerden gebruikten het om op te roepen tot een ethisch en politiek reveil in het decadente Heilige Roomse Rijk; een pauselijke gezant citeerde eruit om de Duitse vorsten aan te sporen tot actie tegen de oprukkende Turken; en een volkseditie uit 1616 (met houtsneden) verbreidde wat ‘de Germaanse mythe’ is gaan heten: het bij de Duitsers levende beeld van hun voorouders als zuivere, vrije, moedige, trouwe en deugdzame Volksgenossen. (Overigens waren de Duitsers niet de enigen die zich op deze manier een heroïsch verleden aanmaten; de Hollanders deden het door zich te vereenzelvigen met de Bataven die in Tacitus’ Annales anno 69 zo dapper in opstand komen.

Echt gevaarlijk werd het in de 19de eeuw, toen de Germania voor het karretje werd gespannen van het groeiende Duitse nationalisme. In een post-napoleontisch geschiedenisboek, dat de basis werd voor het Hannoverische en Pruisische onderwijs, beschreef Friedrich Kohlrausch de Germanen in Taciteïsche termen als ‘een oud, zuiver en onvermengd oorspronkelijk ras’ en hun Duitse afstammelingen als van vreemde smetten vrij. Zijn ideeën werden overgenomen door de Brits-Duitse racist Houston Stewart Chamberlain, die met de door hem gepropageerde völkische Bewegung het pad effende voor de bloed-en-bodemideologie van de nazi’s. Zo werd een ‘Romeinse fictie’ de blauwdruk voor politiek, recht en sociaal beleid in het Derde Rijk. Én de bijbel van de hoogste nazi’s – al veranderde Hitler de werktitel van zijn autobiografie van Germanische Revolution in Mein Kampf toen hij zich realiseerde dat ‘in de tijd dat onze voorvaders stenen troggen en aardewerken kruiken maakten, de Grieken de Acropolis bouwden.’

De titel van Krebs’ geannoteerde, maar goed leesbare studie (Het gevaarlijke boek), geeft aan dat de Duitse historicus de Germania op één lijn stelt met ‘bloedboeken’ als De Protocollen van de Wijzen van Zion en Mein Kampf. Maar Tacitus bedreef leunstoeletnografie, geen rassenwaan. Veel interessanter dan het misbruik dat de nazi’s van zijn boek maakten, is de manier waarop de Germania heeft bijgedragen aan het zelfbeeld van de Duitsers. Nog in 1979 schreef de Nobelprijswinnaar Heinrich Böll een groot essay in Die Zeit waarin hij Tacitus’ boek ‘verrassend up- to-date’ noemde en bovendien ‘het oudste document over onze voorouders’. Krebs besluit er zijn boek mee, in de wetenschap dat hij zijn lezers in elk geval heeft uitgelegd waarom die conclusies onzinnig waren.

En het manuscript dat Himmler zo graag wilde hebben, wat is daarmee gebeurd? Na de Tweede Wereldoorlog werd het door graaf Baldeschi gedeponeerd in een bankkluis in Florence, waar het bij de grote overstroming van de Arno in 1966 beschadigd raakte. Zorgvuldig gerestaureerd werd het na de dood van de graaf in 1992 geschonken aan de Biblioteca Nazionale in Rome. Die leende het sindsdien één keer uit: aan de stad Detmold in het Teutoburgerwald, voor een herdenkingstentoonstelling over Arminius, de Germaan die in 9 nC drie Romeinse legioenen in de pan hakte en zo in de 19de eeuw uitgroeide tot de ultieme Duitse held.