Een humanitaire ramp dreigt in armoedig Jemen

Uit protest tegen president Saleh wordt de levering van brandstof en elektriciteit aan de hoofdstad beperkt. De toch al arme bevolking komt hierdoor in grote problemen.

Zowel de aanhangers van president Ali Abdullah Saleh als de demonstranten tegen de regering zitten in een soort vacuüm. De betogers weten niet precies meer tegen wie ze moeten demonstreren nu president Saleh nog steeds in een ziekenhuis ligt in Saoedi-Arabië, waar hij wordt behandeld voor de verwondingen die hij opliep tijdens de aanval op zijn paleis op 3 juni. Vice-president Abdurabo Mansour Hadi heeft officieel de macht overgenomen, maar durft niet veel zolang het lot van zijn president onduidelijk is.

Bij de betogingen dinsdag in de hoofdstad Sana’a, onderdeel van een landelijk protest tegen Saleh, waren de demonstranten maar naar het huis van de vice-president gegaan. Maar was dit wel de goede plek?

Misschien komt Saleh terug, misschien niet. Misschien komt het land in rustiger vaarwater, misschien ook niet. In ieder geval hebben de politieke oppositiepartijen gisteren een bemiddelingspoging door de Golfstaten afgewezen.

Intussen lijdt de bevolking en dreigt een humanitaire crisis.

Tasbeeh Rezq (14) staat met haar moeder bij een openbare waterplaats in Sana’a. Ze vullen er jerrycans. „We hebben sinds twee weken geen water meer, ik heb dorst en ben moe. Dit water is alleen om te wassen, het is te vies om thee mee te zetten en schoon water bij de winkel kopen is te duur.”

Sinds twee weken wordt er geen water meer opgepompt uit de waterbassins in Sana’a. „Er is geen elektriciteit om het water naar onze huizen te krijgen.”

Dat heeft te maken met het heersende brandstoftekort. Er wordt gevochten om gasflessen en mensen die hun werk maken van transport staan uren in de rij voor een benzinepomp waar nog benzine te krijgen is.

Ahmed Abdo (25) is buschauffeur en staat tegenwoordig om drie uur ’s nachts bij de pomp. Als hij geluk heeft kan hij de tank van zijn busje vullen, voor zo’n twintig dollar. Dat verdient hij overdag nauwelijks terug. De busprijzen zijn weliswaar met 70 procent verhoogd maar „er zijn veel minder passagiers, mensen komen hun huizen niet uit.”

Het gebrek aan elektriciteit en brandstof heeft een politieke oorzaak. Stammen uit de Marib-provincie, waar de meeste energiebronnen vandaan komen, sloten de toegangswegen richting Sana’a af en saboteerden elektriciteitscentrales. Uit onvrede over president Saleh worden tankwagens nog maar mondjesmaat doorgelaten. Tasbeeh Rezq kan er boos om worden. „Daar treffen ze de president niet mee, in zijn paleis is genoeg licht. Wij gewone Jemenieten hebben er last van.”

Niet alleen in de stad, ook op het platteland wordt de situatie steeds nijpender. Dat heeft niet alleen te maken met de huidige crisis, want het ging daarvoor ook al slecht. Geert Cappelaere (50) is de Belgische directeur van UNICEF in Jemen. „Het is een piramide, met als basis onderontwikkeling, Jemen is heel erg onderontwikkeld. Daar komt de huidige crisis bovenop. Als het nog een paar maanden zo doorgaat, en dan hoeft het niet eens een burgeroorlog te worden, dan hebben we een humanitaire ramp.”

Die is volgens Cappelaere niet zichtbaar, maar speelt zich af onder de oppervlakte. „Je leest een humanitaire crisis niet alleen af aan tentenkampen.”

De afgelopen weken vluchtten duizenden mensen de stad uit, bang voor de gevechten tussen het regeringsleger en rivaliserende stammen. Ze gingen naar hun familie op het platteland. „Er is een hoge mate van solidariteit in Jemen, mensen vangen elkaar op. Maar we zien nu dat het absorptievermogen opraakt. Er zijn in de dorpen nauwelijks medische instellingen en simpele vaccinaties kunnen we bijvoorbeeld niet meer koel houden”, zegt Cappelaere. „Dat komt door de stroomonderbrekingen en er is geen brandstof voor generatoren.”

Cappelaere constateert dat er nieuwe cholera-uitbraken zijn.

Een ander probleem zijn de interne vluchtelingen. Door de oorlogen in het noorden en de problemen in het zuiden sloegen de afgelopen jaren honderdduizenden mensen op de vlucht. Hulpgoederen bereiken deze vluchtelingen niet meer. Gebrek aan benzine en veiligheidsrisico’s verlammen de hulpstromen.

Bovendien stuurden veel hulporganisaties hun buitenlandse personeel al maanden geleden naar huis. Hadden zij niet juist moeten blijven om mensen te helpen? Cappelaere: „Dat is een legitiem punt, maar het kost soms gewoon te veel inspanning en geld om buitenlandse hulpverleners hier te houden.”

Met een kruiwagen vol jerrycans lopen Tasbeeh Rezq en haar moeder naar huis. Onderweg worden twee jerrycans bij de moskee achtergelaten. „Die heeft ook geen water meer”. Het pad naar huis voert door een bustan, een gemeenschappelijke groentetuin. „Kijk hoe droog die is, dat is ook een probleem”, wijst Tasbeeh. Voedselprijzen op de markt stegen de afgelopen weken fors vanwege de gestegen transportprijzen. Voedselimport werd duurder door de gestegen dollarkoers. Dat drukt nog eens extra op de toch al bestaande ondervoeding. 60 tot 70 procent van de bevolking lijdt hier aan.

Geert Cappelaere wijt dat niet zozeer aan te weinig voedsel, maar aan verkeerde prioriteiten. De gemiddelde Jemeniet besteedt dagelijks een groot deel van zijn salaris aan qat. „De prioriteit van huishoudens ligt niet bij voedsel en dat komt vandaag de dag alleen maar duidelijker naar voren. Moet je eens optellen wat er vorige week woensdag de lucht is ingeschoten.”

Cappelaere doelt op de manier waarop Jemenieten vierden dat de operatie op hun president is geslaagd. Uit blijdschap daarover schoten duizenden Jemenieten urenlang hun geweren leeg in de lucht. Die kogels kosten geld, geld dat niet aan voedsel werd besteed.