Dubbele crisis in Griekenland

Het is zover. Na de schuldencrisis dreigt in Griekenland nu ook een democratische crisis. Premier George Papandreou is het spoor bijster. Wanhopig zoekt hij naar de politieke consensus die nodig is om aanspraak te maken op een internationaal hulppakket van 110 miljard euro. Tot overmaat van ramp gedraagt oppositieleider Antonis Samara zich, in het licht van een dreigend bankroet, onverantwoordelijk. Net als de communistische partij(en), vakbonden en werkgeversverenigingen.

Terwijl voor het parlementsgebouw in Athene wederom tegen het draconische beleid van de socialistische regering werd gedemonstreerd – en uiteindelijk ook gevochten met de politie en onderling – poogde Papandreou partijleider Samaras van Nieuwe Democratie (ND) gisteren te bewegen tot een overgangsregering van nationale eenheid met Pasok.

Samaras weigerde elke samenwerking met Papandreou. Bovendien wil hij dat de onderhandelingen met de eurolanden en het IMF worden heropend. Waarna Papandreou besloot een poging te wagen om maatschappelijk vertrouwen te herwinnen door wijzigingen in zijn kabinet. Door hun gemanoeuvreer en gechicaneer dreigt Griekenland nu echt onregeerbaar te worden.

Dat is gevaarlijk. In elk democratische staat die met zo’n schuldencrisis kampt, zou enge partijpolitieke machtswil ondergeschikt moeten zijn aan het nationale belang. Hoe moeilijk het ook is voor politici om zich zo tegennatuurlijk te gedragen.

Maar in Griekenland is een brede politieke consensus onontbeerlijk, al is het maar tijdelijk. Want anders dan veel Grieken denken, trots als ze zijn op de herkomst van de woorden Europa en democratie, heeft Griekenland een troebele democratische traditie. Tot diep in de jaren zestig kon het land er amper aanspraak op maken. Premier Papandreou heeft dat van huis uit meekregen. Zijn grootvader werd in 1965 als premier van een centrum-linkse regering uitgerangeerd door een paleiscoup van zogeheten ‘afvalligen’ in de centrumpartij van George Papandreou sr. De kolonelsjunta kwam twee jaar later niet uit de lucht vallen.

Die analogie gaat niet één op één op. De Koude Oorlog is voorbij en Griekenland is lid van de Europese Unie. De politieke partijen kunnen nu in Athene aan de rand van de afgrond opereren omdat de EU bestaat. Om dezelfde reden kan de regeringscrisis in België al ruim 365 dagen voortduren. Maar dat wil niet zeggen dat er geen consequenties zijn.

Met hun ‘borderline gedrag’ zetten de partijen en maatschappelijke organisaties niet alleen de economische sanering, maar ook een basaal democratisch vertrouwen in Griekenland op het spel. In die zin is het wel verstandig aan het jaartal 1965 te herinneren.