De Oekraïense eurocrisis van 2021

Hoe werd Griekenland ook alweer lid van de Economische en Monetaire Unie? Met kunst- en vliegwerk, en hier en daar een boekhoudkundige ingreep. Dat weten we inmiddels, en de gevolgen dragen we nu. Maar er is ook een ander antwoord: Griekenland werd lid van de EMU omdat het moest. Dat vergt enige uitleg.

Toetreding tot de gemeenschappelijke munt is voor een lidstaat van de Europese Unie geen vrijwillige keuze, zoals vaak wordt gedacht, maar een verplichting. Of, om de Europese Centrale Bank te citeren: „Alle landen zijn krachtens het Verdrag verplicht de euro in te voeren, hetgeen betekent dat zij ernaar moeten streven aan alle convergentiecriteria te voldoen.”

De EU heeft 27 lidstaten, waarvan er 17 de euro hebben ingevoerd. Twee landen, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, hebben bij de ondertekening van het Verdrag van Maastricht, twintig jaar geleden, uitdrukkelijk te kennen gegeven niet aan die verplichting te willen voldoen. Zij hebben een zogenoemde opt out. Maar de rest is, als het aan het Europese recht ligt, simpelweg verplicht om de gemeenschappelijke munt in te voeren, als zij eenmaal aan de toetredingscriteria voldoen.

Nu is de praktijk weerbarstiger dan dat. Estland omarmde begin dit jaar de euro, maar in Polen en Tsjechië is het enthousiasme voor de Europese munt al flink bekoeld, tot aan het vijandige af. Het recht kan dan wel aangeven dat je de euro in moet, een onwillig land kan er moeilijk met de haren bij gesleept. Maar laten we eens twee vrij recent toegetreden EU-lidstaten nemen: Roemenië en Bulgarije, met een economie die respectievelijk de helft en een negende van die van Griekenland is.

De ECB schrijft elke twee jaar een ‘convergentierapport’. Daarin staat in hoeverre niet-eurolanden aan de toetredingscriteria voor de euro voldoen. In de laatste, van mei vorig jaar, waren de twee nog niet echt in de buurt. Maar de laatste tijd gaat het niet slecht.

Wat zijn de toetredingscriteria ook alweer? Een inflatie die hooguit 1,5 procentpunt ligt boven de bestaande EMU-landen met de laagste inflatie. Dat halen ze niet, maar met een door het IMF voor 2012 voorspelde inflatie van respectievelijk 3,7 en 3,4 procent zijn Bulgarije en Roemenië al vrij dichtbij. Het begrotingstekort moet minder dan 3 procent zijn, en dat halen de twee, met 1,5 en 3 procent, voor 2012, al wél. De staatsschuld moet minder dan 60 procent van het bbp zijn, en dat is een eitje. Bulgarije heeft een staatsschuld van 19 procent, en Roemenië van 38 procent.

Wisselkoersstabiliteit dan. De verplichting is dat de munt twee jaar gekoppeld is aan de euro, maar daar is in het verleden al van afgeweken. De munten van beide landen zijn al vrij stabiel, en Bulgarije koppelt zelfs direct aan de euro. Resteert de rente op langlopende staatsobligaties, die niet hoger mag zijn dan 2 procentpunten boven de laagste drie bestaande eurolanden. Een formaliteit, zo bleek in het verleden. Als beleggers eenmaal doorhebben dat een land in de euro opgaat, daalt deze rentevoet vanzelf.

Nu zijn er aanvullende eisen op juridisch gebied, en bijvoorbeeld ook voor de onafhankelijkheid van de centrale bank. Maar het signaal is duidelijk: met een beetje inspanning staat de twee landen weinig in de weg om over een paar jaar lid te worden van de muntunie. En dat is, volgens het Verdrag ook de bedoeling. Europese integratie is altijd een mechanisme geweest waarbij de ene onvermijdelijkheid de andere opvolgt. Vergelijk het met lopen: je brengt je lichaam voorwaarts uit evenwicht, waardoor er een voet naar voren moet, gevolgd door een andere, en nog één.

Het is dit proces dat op dit moment in de muntunie bij de redding van Griekenland in volle gang is: de gemeenschappelijke munt vergt, ondanks alle bezweringen van het tegendeel, een financiële unie, op welke manier dan ook. Maar tegelijkertijd gaat ook de uitbreiding door, op de automatische piloot. Bulgarije en Roemenië, Hongarije, Polen, Tsjechië, nóg twee Baltische staatjes en in een verdere de toekomst wellicht Servië, Kroatië, Bosnië, en hé, in een nóg verdere toekomst Oekraïne.

Het samenvallen van de ontwikkeling naar onderlinge financiële lotsverbondenheid én de toetreding van economisch nog zwakke landen betekent dat het Griekse probleem structureel moet worden opgelost. Want wie een jaar of tien vooruit denkt, ziet meer potentiële Griekenlanden dan alleen Griekenland zelf.

Maarten Schinkel