Christenen en heidenen, één pot nat

Vrome kerkvaders versus fanatieke heidenen – het beeld van de late Oudheid is even simpel als spectaculair. En vals, zo stelt Alan Cameron in een baanbrekend boek.

Alan Cameron: The Last Pagans of Rome. Oxford University Press, 912 blz. € 62,-

Bacurius was een generaal in het Romeinse leger in de late 4de eeuw. De kerkhistoricus Rufinus noemt hem een christen en kan gelijk hebben: de twee hadden elkaar ontmoet. Bacurius’ penvriend Libanius beschouwt hem echter als een heiden. Interessanter dan de vraag wie gelijk had, is de vraag wat oudhistorici hadden gedacht als alleen Rufinus’ geschiedwerk overgeleverd zou zijn geweest. Ze waren dan beslist niet op het idee gekomen dat de informatie mogelijk onjuist was en zouden Bacurius zonder meer als christen hebben getypeerd.

Dit voorbeeld illustreert het kernprobleem van de Oudheidkunde. Er zijn te weinig teksten, zodat onderzoekers de kwaliteit van hun informatie moeilijk kunnen evalueren. Conflicterende bronnen zijn daarom een buitenkans: dan komen problemen aan het licht en kan worden beredeneerd welke informatie waarom de voorkeur verdient.

Meestal zijn oudhistorici echter al blij met één bron. Ze vragen zich natuurlijk af door welke informatie dat ene relaas weerlegd zou kunnen worden, of zulke informatie er ooit kan zijn geweest, waarom die er niet langer is en door welk mirakel ze überhaupt een bron hebben. De oudhistoricus die denkt er al te zijn als hij zijn beweringen met bronverwijzingen kan onderbouwen, gebruikt een achterhaalde methode die bekendstaat als naïef positivisme.

In de 18de eeuw mocht het nog. Edward Gibbon ging zo te werk in zijn beroemde Decline and Fall of the Roman Empire. In een in 1781 gepubliceerd hoofdstuk reconstrueert hij bijvoorbeeld de veldslag aan het riviertje Frigidus in september 394, waarin de christelijke keizer Theodosius, geholpen door onder anderen Bacurius, de usurpator Eugenius versloeg. De acht bronnen waarover Gibbon beschikte – en dat is veel voor de Oudheid – boden ruwweg dezelfde informatie, die hij trouwhartig overnam. Ook het door sommige auteurs vermelde gegeven dat Eugenius een heiden was, nam de Britse geschiedschrijver over, en hij benut zijn volgende hoofdstuk om te vertellen dat Theodosius’ regering ‘the total extirpation’ van het heidendom betekende.

Twee eeuwen lang twijfelde niemand aan deze reconstructie. Ze is verfijnd door de Duits- Amerikaanse classicus Herbert Bloch en wordt in onze tijd verdedigd door de Amerikaanse oudhistoricus Charles Hedrick. Het heidense karakter van Eugenius’ regering ging in hun visie samen met een uitbarsting van literaire creativiteit, die ze opvatten als een poging het heidendom nieuw leven in te blazen. Een liefdevolle schets van de ‘wanhopige renaissance’ is te vinden in Piet Gerbrandy’s Latijnse literatuurgeschiedenis Het feest van Saturnus (2007).

Dit beeld van een heidense nazomer is ook doorgedrongen in de populaire cultuur, zoals in Gilles Chaillets goed-gedocumenteerde reeks stripverhalen De laatste profetie. De recente speelfilm Agora veronderstelt eveneens een deels bewapend conflict tussen christenen en heidenen.

Helaas klopt er weinig van. Dat is althans wat de Britse oudhistoricus Alan Cameron beweert in The Last Pagans of Rome: de heidense elite van het Romeinse Rijk bood geen weerstand. Nadat de financiering van de heidense culten in 382 ten einde was gekomen, stonden de heidense aristocraten voor de keuze: óf het tempelonderhoud zelf financieren en zich aan het hof impopulair maken, óf de zaak op zijn beloop laten. Ze kozen het laatste en bleven zo verkiesbaar voor de magistraturen waaraan ze hun prestige dankten. Hun eigen eer ging voor die van de oude goden. De letteren kenden een opbloei, zeker, maar niet doordat de heidenen zich nog een keer sterk maakten voor het klassieke erfgoed.

Illustratief is Camerons analyse van de bronnen die voor Gibbon aanleiding waren om keizer Eugenius als heiden te typeren. Toen de usurpator aan de Frigidus was verslagen en Theodosius de macht in handen had, presenteerde de christelijke leider Ambrosius zich aan de nieuwe heerser alsof hij altijd al had geweten dat God de orthodoxe Theodosius zou steunen tegen de opstandeling. Een van Ambrosius’ leerlingen interpreteerde dit later als een bezwaar tegen Eugenius’ religieuze opvattingen; bij de kerkhistoricus Rufinus werd de usurpator vervolgens een heiden en groeide de veldslag uit tot een epische eindstrijd tussen fanatieke heidenen en orthodoxe christenen; en tot slot namen drie latere auteurs dat weer over. Waar Gibbons moderne volgelingen Eugenius’ heidendom bewezen achten door acht onafhankelijke getuigenissen, ontwaart Cameron een opeenvolging van misverstanden.

Lastig is hierbij dat de jongste teksten ook informatie bevatten die niet teruggaat op Rufinus. Cameron wijst er echter op dat de auteurs nooit hetzelfde toevoegen, wat inderdaad suggereert dat de extra gegevens slechts verfraaiingen zijn van dezelfde bron. Hij weet daarbij weliswaar te overtuigen, maar heeft vele pagina’s nodig om zijn redenering te onderbouwen: zijn gelijk is beslist niet ineens zichtbaar.

Hij heeft het echter wel. Hierboven is ingegaan op slechts één aspect van zijn boek, de veldslag, maar hij komt ook tot succesvolle herinterpretaties van andere tot nu toe als ‘hard’ aanvaarde feiten. Hij toont aan dat de heidense priestercolleges onderbemand waren en dat de betrokkenen het lidmaatschap weliswaar eervol vonden, maar hun verplichtingen lang niet altijd nakwamen. Een beroemde beschrijving van een bloederig heidens offer blijkt geen bewijs dat zulke offers nog plaatsvonden.

Ook het literaire leven krijgt een ander gezicht. Verondersteld heidense schrijvers blijken christenen te zijn geweest. De heidense senator Symmachus, lang beschouwd als een van de inspiratoren van het herleven van de klassieke letteren, blijkt juist een beetje achter de literaire mode aan te hebben gelopen; zijn christelijke tijdgenoten waren beter op de hoogte. Niemand associeerde destijds de klassieke teksten met het heidendom. De laat-vierde-eeuwse renaissance heeft, kortom, niets te maken met een heidense opbloei die aan de Frigidus gewelddadig werd onderdrukt. Cameron haalt nogal wat overhoop, maar zijn reconstructie is overtuigend.

Maar dat was de reconstructie van Gibbon ook, twee eeuwen lang. Hoe bepalen we, in een vakgebied waarin acht bronnen al veel is, dat Camerons these beter is? Empirische toetsing is onmogelijk: de feiten waaraan zou moeten worden getoetst, zijn immers nauwelijks vast te stellen. Zo bezien is Camerons reconstructie even ‘zacht’ als die van Gibbon en zijn moderne volgelingen.

We kunnen echter op logische gronden tot een conclusie komen. Hier geldt het criterium dat als er twee empirisch niet toetsbare verklaringen zijn, die verklaring de voorkeur verdient, die de meeste gegevens van de meest uiteenlopende aard kan verklaren. Zo bezien is Cameron, die zich kan baseren op meer munten, inscripties en kunstvoorwerpen dan zijn voorgangers, in het voordeel, zelfs al heeft de toename van het materiaal het gierende bronnentekort maar heel weinig verminderd. Hij is echter in het voordeel en buit het volledig uit: er is vrijwel geen aspect van de laat-antieke cultuur dat hij onbediscussieerd laat, er is geen bron die hij niet in zijn verhaal kan inpassen. Dat betekent automatisch dat het boek lang is: 808 pagina’s, afgezien van het nawerk. Het veronderstelt wat voorkennis, maar garandeert twee weken intellectueel genot.

Zo is The Last Pagans of Rome technisch en gedetailleerd als het is, een verbetering van onze kennis. Onaardig geformuleerd concludeert Cameron dat het heidendom geen weerstand bood. Je kunt het ook van de andere kant bekijken: de klassieke traditie is door de christenen zo volkomen geabsorbeerd dat zij cultureel moeilijk te onderscheiden zijn van heidenen. Beide partijen droegen zorg voor het klassieke erfgoed, en dat heeft gevolgen voor ons: de klassieke canon die wij kennen, bestaat niet uit teksten die populair waren toen het Romeinse Rijk zijn grootste bloei meemaakte, maar uit teksten die zijn gekopieerd tijdens die laat-4de-eeuwse renaissance en de toenmalige smaak weerspiegelen.

De tegenstelling tussen christenen en heidenen, waarin alleen de laatsten hoeders waren van het klassieke erfgoed, is simpelweg vals. Niet de kerkvaders en fanatieke heidenen zijn representatief, maar de gematigden, die weliswaar veranderden van geloof, maar niet bereid waren tevens te breken met hun oude cultuur. Vermoedelijk waren zij te welgemanierd om van religie een principezaak te maken: ze baden met de ene gastheer een christelijk gebed en brandden in een tweede huis wat wierook. Deze ambiguïteit verklaart waarom generaal Bacurius voor een christen een christen kan hebben geleken en voor een heiden een heiden.