Als technologie nét te dichtbij komt

Bellen is uit, tekst is in. Dat tast ons vermogen tot diepe conversaties aan, is de angst.

Maar elke nieuwe techniek baart nieuwe zorgen. Welke grenzen trekken we nu?

Nieuw is eng. Zeker als het iets is wat we niet helemaal snappen: een grote politieke omwenteling, nieuwe buren met culturele eigenaardigheden, een onbekend beest.

Wat ook eng is, is nieuwe technologie; dat spul met radartjes, knopjes en schermpjes dat ongevraagd ons leven binnensluipt. Opeens is een techniek er, en gaat-ie niet meer weg, nadelige gevolgen of niet. Hij wordt hooguit vervangen door een betere versie. Zie de klok, de auto, de magnetron, de computer, internet.

Het Rathenau Instituut in Den Haag, dat de invloed van technologie op de maatschappij bestudeert, onderzoekt dit jaar de opmars van ‘intieme technologie’. Hoe dichtbij komt techniek, hoe beïnvloedt dat ons, en wanneer beginnen we ons er ongemakkelijk bij te voelen? Want bij elke nieuw apparaat maken we ons nieuwe zorgen.

Neem nou de smartphone, dat ding waardoor iedereen de hele dag naar z’n hand staart. Dat ding geeft een nieuwe reden tot zorg: door de smartphone raakt bellen uit.

Jij denkt wellicht: eindelijk, nadat je het zoveelste telefoontje op stil hebt gezet (wegdrukken is zo ruw.) Want bellen stoort. Jij overweegt ook om in je voicemailbericht te vragen een sms te sturen – voicemail afluisteren is zo’n gedoe. Voorafgaand aan een telefoontje stuur je steeds vaker de waarschuwing ‘ik ga je bellen’. En soms neem je helemaal niet meer op.

Er zijn dan ook veel onderwerpen die prima in een tekstberichtje afgehandeld kunnen worden.

Waar ben je?

Hoe laat ben je er?

Leuk dat je er was.

Gefeliciteerd.

Ik zie je snel.

Ik ga je bellen.

Dat hoef je niet te omlijsten met introductie en groet en je hoeft er ook geen interesse bij te veinzen.

Onderzoeksbureau Nielsen zag vorig jaar deze trend al in de VS. Daar verbelden tieners in 2010 646 minuten per maand, 14 procent minder dan het jaar ervoor. Dat is nog vrij veel, en grotendeels te danken aan abonnementen met onbeperkte belbundel. Maar feit is dat bellen afneemt, terwijl sms’en en berichtjes sturen via Ping, Facebook en WhatsApp toenemen. Vorig jaar steeg het aantal sms’jes dat Amerikaanse tieners stuurden met 8 procent, naar gemiddeld 3.339 berichten per maand. Meer dan gemiddeld 100 per dag. In Nederland daalt het aantal belminuten en verstuurde sms’jes al maanden, maar dat is omdat het aantal tekstberichten via mobiel internet explosief toeneemt.

Wat is er zo plezierig aan een tekstberichtje?

In een onderzoek van stichting Mijn Kind Online uit 2009 werden ruim duizend jonge telefoonbezitters gevraagd welke zaken je wel en niet per telefoon bespreekt. Vragen hoe het met iemand gaat kan prima per sms, vond 72 procent. Je relatie uitmaken doe je daarentegen in real life. Maar als je dat dan toch per telefoon doet – en een deel doet dat – dan liever per sms dan aan de lijn. Sms is veiliger en minder persoonlijk, rapporteerden de ondervraagden. Je hoeft je gezicht niet in de plooi te houden, je kunt je stemming „faken” en je durft dingen te zeggen die je in het echt niet durft te zeggen.

Jonge mensen vinden bellen in toenemende mate intens en complex, zegt ook Sherry Turkle, psycholoog en mediaprofessor aan het Massachusetts Institute of Technology, in haar recente boek Alone Together. Ze interviewde honderden jongeren naar hun ervaringen met telefoon, sms, e-mail en sociale media. Bellen is vervelend, want afronden is ongemakkelijk en al dat praten vraagt te veel aandacht.

Turkle, vroeger internetoptimist maar inmiddels van haar geloof gevallen, vindt dat zorgwekkend. Ze denkt dat digitale technieken ontmoetingen tussen mensen vlak maken. Aan die oppervlakkigheid raken ze zo gewend, dat ze ‘echte’ ontmoetingen vervelend dichtbij vinden komen.

Turkle vraagt zich wat angstig af: zijn we té verweven geraakt met onze mobiele telefoon, als we de wereld zonder de veilige schil van digitale technologie ingewikkeld vinden? Is deze techniek te dichtbij geraakt?

Nu worden nieuwe uitvindingen standaard vergezeld door de angst dat ze te dichtbij komen. De oude Grieken vroegen zich al af of het schrift het vermogen tot herinneren kon vernietigen. De indianen waren bang dat je ziel werd gestolen als er een foto van je werd gemaakt. Van de stoomtrein kreeg je hersenziektes (ook al galopperen paarden harder dan 40 km/uur). De uitvinding van drukpers en de krant zou mensen permanent rusteloos maken. Met de buzzer (waarmee je ‘opgepiept’ kon worden) droeg je altijd je werkgever in je broekzak. Van gewelddadige games word je agressief, van internet oppervlakkig, en van mobiele telefoons nu dus sociaal afgevlakt.

„Er is altijd wel wat dat het debat haalt”, reageert Patti Valkenburg, hoogleraar jeugd en media aan de Universiteit van Amsterdam. „In de achttiende eeuw ontstond het idee dat kinderen beschermd moesten worden opgevoed. Rousseau vond dat de Bijbel en de krant, die volstonden met verhalen over moord en doodslag, ongeschikt waren voor kinderen. Die moesten uit de klas. Later zijn de Beatles verguisd, horrorstrips waren slecht, de Power Rangers zetten aan tot tot geweld. Nu is het seks op internet en eenzaamheid door sociale media.” 

Valkenburg bespeurt een welles/nieteshouding tegenover de effecten van digitale media. Zeker als het over kinderen gaat, dan raakt het debat altijd „kwadratisch gepolariseerd.” En dat remt de vooruitgang in onderzoek, vindt Valkenburg. „Ja, media hebben invloeden, maar die zijn lang niet altijd negatief. Je moet onderzoeken wélke invloeden, voor wie dat geldt, onder welke omstandigheden, waarom. Wij vinden ook veel positieve invloeden van internet en mobieltjes op tieners. E-mail en sms kan sommige verlegen jongetjes bijvoorbeeld helpen om veilig te oefenen met communicatie.” 

Veel angsten voor nieuwe technieken lijken achteraf ridicuul. Het voelt niet meer alsof de drukpers ons leven onherstelbaar heeft verstoord, en we kunnen nog steeds feiten onthouden. Gaat de angst voor oppervlakkige gesprekken door digitale media misschien ook gewoon vanzelf voorbij?

Dat antwoord is niet te geven. Niet alle angsten verdwijnen zomaar, zegt techniekfilosoof Sabine Roeser van de TU Delft. „Kijk naar onze angst voor kernenergie, of voor genetische modificatie. Die laait steeds weer op.”

Maar aan de meeste nieuwe technieken passen we ons aan. Roeser: „De nadelen worden vaak overschat door onderzoekers en de media. Dan blijkt het toch allemaal niet zo’n vaart te lopen, en dan went het.”

De samenleving bedenkt daarbij manieren om met een nieuwe techniek om te gaan: niet bellen in de klas, een kookwekker naast de gameconsole. Bovendien, zegt Roeser, volgt er vaak regelgeving. Maximumsnelheden voor auto’s, richtlijnen voor straling van mobieltjes, regels voor reclame op televisie.

Wat Roeser met haar onderzoeksgroep ook probeert aan te moedigen is dat ingenieurs al in de ontwerpfase de nadelen van technieken wegnemen. „Waarom geen auto maken die niet harder dan 130 km/uur kan? Waarom geen software die de privacy van kinderen beter beschermt?”

Maar er is telkens wat nieuws. En telkens voelen we weer nieuwe angsten. Voorlopig weten we niet wat we met smartphones aanmoeten. Wennen? Regels verzinnen? Of niet meer opnemen en een sms-je sturen.