Zijlstra geeft het geld aan VVD-kunst

Dat Halbe Zijlstra vooral de gevestigde kunstinstellingen blijft subsidiëren, is logisch. Daar zitten de partijgenoten die hem nog eens een baantje verschaffen, stelt Kees Vuyk.

Je ziet ze overal in het land – stickers met de tekst ‘linkse hobby’. Kunstminnaars hebben deze term omarmd als een geuzennaam voor wat hen lief is. Ze dagen vooral de PVV uit. Die partij gebruikt de uitdrukking om af te geven op van alles wat subsidie krijgt van de overheid, de kunsten voorop.

De besluiten van staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) over de kunstsubsidies zijn bekend. Zowel kunstminnaars als de PVV zullen zich moeten beraden op hun uitlatingen. Kunst maken met subsidie zal voortaan een rechtse hobby zijn.

‘Zijlstra ontziet top van kunstsector’, kopte deze krant bij een analyse van de subsidiebesluiten. Als vermoedelijke reden voor deze keuze werd aangevoerd dat sommige kunstinstellingen too big to fail zijn. Daarin zit een zekere waarheid.

Wat beslist heeft geholpen om deze grote en prestigieuze kunstinstellingen die status te geven, is dat ze de afgelopen tijd hun besturen en raden van toezicht hebben gevuld met kopstukken uit het bedrijfsleven en met prominente oud-politici, vooral van VVD- en CDA-huize. De staatssecretaris zal het wijs hebben gevonden om op zijn veldtocht tegen de subsidiekunst niet de degens te kruisen met invloedrijke partijgenoten of mannen die hem later in zijn carrière – na de politieke fase – wellicht nog van pas kunnen komen.

Is het niet opvallend dat het lang in gevarenzone verkerende Nederlands Dans Theater, met Gerrit Zalm als voorzitter van de raad van toezicht, uiteindelijk toch is gespaard, terwijl van de orkesten vooral Holland Symfonia – dat inderdaad een nogal links bestuur heeft – moet bloeden?

Van de bestuurders van de vele middelgrote en kleine instellingen, die zwaar weer tegemoetgaan (vooral in het theater) of beter hun biezen kunnen pakken (onder meer festivals, productiehuizen en presentatie-instellingen voor hedendaagse, beeldende kunst), heeft Zijlstra niets te vrezen. Zij zijn voornamelijk afkomstig uit de progressieve kringen van de politiek, de ambtenarij, het onderwijs of de kunstwereld zelf, aangevuld met een enkele jonge accountant of advocaat. Het zijn geen mannen en vrouwen die in het openbare leven een vuist kunnen maken.

Tijdens een crisis in de formatie van het zittende kabinet liet Mark Rutte, toen VVD-onderhandelaar, zich ontvallen dat „rechts Nederland zich de vingers zou aflikken” bij het conceptregeerakkoord. Over de ingrepen in de kunstsubsidies kan rechts Nederland inderdaad tevreden zijn. Zijn speeltjes in de cultuursector zijn keurig ontzien. Rutte, nu premier, verklaarde meermalen dat zijn doel is om de kunst terug te geven aan de samenleving. Wat het kabinet in de kunstsector van plan is, weten we. We kunnen gerust stellen dat het kabinet de kunst aan rechts Nederland heeft gegeven.

Ik wil niet zeggen dat de kunstinstellingen die nu zijn verzekerd van hun toekomst, dat niet verdienen. Stuk voor stuk presteren zij op hoog niveau. Dat doen ze wel vaak uitsluitend binnen het gevestigde kader. Het gaat eerder om erfgoed dan om levende kunst. Vanuit een totaalvisie op het artistieke leven is het onverstandig om alleen deze instellingen een toekomst te bieden en alle instellingen die nieuw talent kansen geven en werken aan de ontwikkeling van de kunst, de mond te snoeren. De Raad voor Cultuur had daar duidelijk meer oog voor in zijn misschien wat onhandige en in elk geval matig onderbouwde advies.

We zitten straks met de situatie dat de subsidiegelden voor kunst worden beheerd door een kleine elite van mensen die het maatschappelijk hebben gemaakt. Voor hen is het besturen van een kunstinstelling een leuke nevenactiviteit. Daaraan zit een wonderlijke kant.

De regering verwijst de instellingen die hun subsidie dreigen te verliezen, graag naar de mogelijkheid om private inkomsten te verwerven. Dat is bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten het geval.

Dit is de wereld op zijn kop. In de VS zijn het juist prestigieuze instellingen die grotendeels draaien op particuliere giften. Die komen niet in de laatste plaats van hun eigen bestuurders. Een Amerikaanse CEO die lid van het bestuur van een topkunstinstelling wil worden, moet beginnen met een flinke donatie. In Nederland mag zo’n bestuurder slechts belastinggeld uitgeven.

Als rechts Nederland werkelijk zo is begaan met de vaderlandse topkunst als blijkt uit zijn vele bestuursfuncties, zou het de noblesse moeten hebben om in gezamenlijkheid de paar honderd miljoen euro bijeen te brengen die de prestigieuze instellingen kosten. Het schamele bedrag dat het Rijk nog aan kunst wenst uit te geven, kan dan worden geïnvesteerd in die kunstenaars die bereid zijn om hard en lang in de marge te ploeteren, om te laten zien dat niet alles in de wereld draait om succes en materieel gewin.

Kees Vuyk is cultuurfilosoof, oud-directeur van het Theater Instituut Nederland en hoofddocent kunstbeleid aan de Universiteit Utrecht.