Vorige week nog een pluim van Zijlstra, nu een financiële strop

Deze week vinden op de Rijksakademie in Amsterdam de interviews plaats met kunstenaars uit Nederland. Ze werden geselecteerd uit tweeduizend aanmeldingen en hopen straks tot de 55 uitverkorenen te horen die een werkplek krijgen op dit vooraanstaande instituut. Immers, de Rijksakademie diende al voor zoveel kunstenaars als springplank naar een internationale carrière. Maar als het aan staatssecretaris Halbe Zijlstra ligt, zullen deze kunstenaars tot de laatste lichting Rijksakademie-deelnemers behoren. Na 2013 draait hij de geldkraan dicht en wil hij nog slechts vier jaar lang vijftig plekken voor toptalenten financieren. Nu zijn dat er, verdeeld over vier postacademische instellingen, nog zo’n honderdvijftig plekken.

Het is in alle opzichten een bizarre week voor de Rijksakademie. Vorige week donderdag reikte Zijlstra de door de academie georganiseerde Prix de Rome uit, en prees hij bij die gelegenheid nog het ondernemerschap van de academie en haar sponsoren KPN en SNS Reaal Fonds. Ook de internationale context waarin de Rijksakademie en de Prix de Rome opereren, kregen zijn goedkeuring. „Kwaliteit is een belangrijk thema van dit kabinet”, zei hij toen. Een dag later maakte diezelfde staatssecretaris bekend dat hij de Rijksakademie niet meer financieel zal steunen en dat de tweehonderd jaar oude Prix de Rome dus elders dient te worden ondergebracht.

Het is ook een bizarre week voor de Rijksakademie omdat Zijlstra in zijn plannen schrijft dat hij topinstituten belangrijk vindt. Dat geldt blijkbaar wel op het gebied van dans en muziek, maar niet in de beeldende kunsten. Want als er in de wereld van de hedendaagse kunst één instelling is die tot ver over de landsgrenzen bekend is en alom om zijn expertise en professionaliteit wordt geprezen, is het de Rijksakademie.

Maar de Rijksakademie is meer dan alleen een luxeoord voor kunstenaars. Opgericht in 1870 beheert de academie een rijkscollectie die teruggaat tot de zeventiende eeuw. In de bibliotheek worden bijvoorbeeld de kamerstukken uit 1862 bewaard waarin Thorbecke aangeeft dat een Rijksmuseum en een Rijksakademie de verantwoordelijkheid van de staat zijn. „Het verdwijnen van topkunstenaars naar het buitenland werd destijds als ongewenst ervaren”, aldus Rijksakademie-directeur Els van Odijk, „en de regering zag het als een overheidstaak om dit te voorkomen.”

Het is wrang, en bizar, dat het rijk zijn handen nu aftrekt van de instelling die al zo lang zijn naam draagt.