Op Poetry International heerst de no-nonsense

Poetry wijdde de openings-avond aan Rotterdam, met aandacht voor de overleden Rotterdamse dichter Theo Verhaar. „Mijn poëzie is karig, sober, kaal.”

Het kan altijd erger, zei dichteres Ester Naomi Perquin. „Ik verloor mijn vader ook jong, maar hij liet geen dichtbundels na. Alleen bandjes met vogelgeluiden.”

Niettemin, met terugwerkende kracht lijkt het een verlies voor de Nederlandse letteren: de te vroege dood van dichter Theo Verhaar. Gisteren werd bij Poetry International zijn verzamelde poëzie gepresenteerd en in ontvangst genomen door Perquin, die haar troostende woorden sprak tot zijn drie kinderen.

„Ik kende hem niet als dichter, alleen als vader”, zei een van de zoons. Onbekend is de dichter ook bij het Nederlandse publiek, maar dat verandert misschien. De kennismaking was verrassend aangenaam.

De bonte openingsavond van het festival was gewijd aan de eigen stad, Rotterdam, met historische filmpjes en voordrachten, en daarin paste Rotterdammer Verhaar (1954-1999). In een televisie-item, gemaakt toen hij in 1998 de Anna-Blaman-prijs won, noemde hij zijn poëzie „karig, sober en kaal”. Criticus Rob Schouten introduceerde hem als een no-nonsense dichter, een beschouwer die zich in zijn werk niet laat kennen.

Zijn uitgebeende taal heeft aforistische trekken, te horen aan wat van hem werd voorgelezen door collega’s. Zijn gedichten hebben fraaie beginregels als: „In de kerk beroert steen haar” en „Ze is niet eerder zo dood geweest”. Een heel gedicht is in een oogwenk geciteerd: „In haar schrift/ wordt dagelijks brand gesticht./ Ze neemt,/ voor het zoek raakt,/ het bluswater op in een handdoek/ en dept./ De klinkers sissen het begin/ van nieuw vuurwerk.”

Dichtregels plakken op vuilniswagens is een aardige traditie bij Poetry. De avond begon met de onthulling van een dichtregel van Frans Vogel op een veegwagen die bij de schouwburg kwam voorrijden: „Jong begeerd, oud afgedaan.” Die regel kwam uit een gedicht dat zich nadrukkelijk richtte op de inhoud van vuilniswagens, en dat afsloot met een voor Vogel kenmerkend: „Gas d’rop en karren maar.”

Local hero Vogel voegt zich in de rij artistieke querulanten die Rotterdam heeft voortgebracht: Vaandrager, Waskowsky, Vroegindeweij, Deelder – groot in felrealistische poëzie. Deze Rotterdamse Poetry-avond liet ook andersoortige stemmen horen. Stadsdichter Perquin las ontregelende gedichten voor, met sluimerende agressie, zoals over een hand die zich in een broekzak tot wapen vormt, „afgevijld, doorgeladen”. Ze liet ook het vervreemdende gedicht Onderzoek horen, met absurdistische vragen als: „U past in een koffer. Als u niet in een koffer past/ hoe zou u uzelf dan omschrijven?” Helaas waren er in de bescheiden vlootschouw ook lokale dichters die niet het normale Poetry-niveau haalden.

De poëzie van Verhaar overstijgt moeiteloos de stadsgrenzen. Net als Perquin speelt hij geen handjeklap met de werkelijkheid. Zijn compacte oeuvre, zes bundels groot, is scherp getoonzet en heeft een pregnante eigen stem. Verhaar schreef om ruimte te maken voor de volgende zin, zei hij in een interview. Een zoon sprak de hoop uit dat het verzameld werk ruimte creëert voor een volgende generatie lezers. Dat zou mooi zijn.

Poetry International, Rotterdam, t/m 19 juni. Theo Verhaar: ‘Alle gedichten’. Uitgeverij de Harmonie.

    • Ron Rijghard