Kamer zoekt naar lessen uit arbeidsmigratie

Een tijdelijke commissie van de Tweede Kamer onderzoekt de migratie uit Oost-Europa. Hoeveel Polen zitten hier eigenlijk? Wat moet er anders als ook Bulgaren en Roemenen worden toegelaten?

Hoeveel mensen uit Oost-Europa werken in Nederland op dit moment? Simpele vraag.

Toch liet het antwoord vanochtend in de Enquêtezaal van de Tweede Kamer even op zich wachten. Precies weten we het niet, zeiden de deskundigen met zoveel woorden. „In 2009 bleek uit onderzoek dat slechts zo’n 26 procent van de Oost-Europeanen zich bij de gemeente inschrijft”, aldus socioloog Godfried Engbersen. Niet zo heel vreemd, want seizoensarbeiders bijvoorbeeld zijn helemaal niet verplicht om zich in te schrijven. Toch kwamen er schattingen op tafel: ruim 200.000 migranten uit onder meer Polen, Tsjechië en de Baltische Staten.

De Rotterdamse hoogleraar behoorde tot de eerste gasten van de zogeheten tijdelijke commissie Lessen uit Arbeidsmigratie (Lura) die vanochtend het openbare deel van haar werk is begonnen. De commissie is een milde variant van de parlementaire enquêtecommissie. Een verschijningsplicht bestaat niet, evenmin wordt een eed afgelegd.

De afgelopen weken werden bijna honderd mensen achter gesloten deuren gehoord. Centrale vraag: wat kan er geleerd worden van de grote aantallen Oost-Europeanen die sinds 2007 in Nederland zijn gekomen? Mogelijk staat er vanaf 2014 een nieuwe groep migranten voor de deur, want dan hebben ook Roemenen en Bulgaren geen werkvergunning meer nodig om in Nederland aan de slag te gaan. Wat kunnen we dan beter doen?

De regels rond in- en uitschrijving van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) versoepelen, was een van de eerste aanbevelingen. Het advies kwam van Rob van der Velde van de gemeente Den Haag. „Wij zijn bijvoorbeeld veertien weken bezig voordat we iemand bij het GBA kunnen uitschrijven. Ook al is het pand waar de mensen woonden afgebroken, dan nog moeten we een brief naar dat pand sturen. Anders maakt de Raad van State gehakt van ons.”

Met het oog op toekomstig beleid wilde de commissie ook graag weten hoeveel migranten Nederland weer zullen verlaten. Engbersen denkt dat tweederde weer vertrekt. „Bij Italiaanse en Spaanse werknemers lag dat vroeger op 80 procent, terwijl van Marokkanen en Turken de meerderheid juist blijft. Bij Oost-Europeanen zal dat er tussen in liggen.”

Volgens Paul Ulenbelt (SP), initiatiefnemer van de tijdelijke commissie Lura, kan dit het snelste onderzoek uit de parlementaire geschiedenis worden. Na vandaag volgen deze week nog twee dagen hoorzittingen. In september komt de commissie onder voorzitterschap van Ger Koopmans (CDA) met een eindrapportage. Dan is er ook een bezoek gebracht aan Bulgarije en Roemenië. „We willen zelf een indruk krijgen van hoeveel mensen naar Nederland zouden willen komen”, aldus Ulenbelt voorafgaand aan de hoorzitting. „In 2005 ging men uit van een toestroom uit Oost-Europa van tien- tot twintigduizend. Het werden er meer dan 200.000.”

Volgens Ulenbelt kan dit scenario zich herhalen met Bulgaren en Roemenen. „Ik ben daar eerder geweest. Minister Donner zei toen dat hij weinig toeloop verwachtte omdat ons klimaat hen niet zou aanstaan. Maar bijna iedereen aan wie ik het vroeg wilde wel in Nederland werken. Ik had zo drie volle bussen mee terug kunnen nemen.”

Interview eurocommissaris Andor: pagina 41