Ik wil tegen mezelf in bescherming genomen worden

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: moet de overheid vliegen, vreten, shoppen en graaien ontmoedigen?

Op mijn nette middelbare school gebeurde er op een dag in de pauze iets opmerkelijks. Een kantinejuffrouw was na het bijvullen van de snoepautomaat vergeten deze af te sluiten. In plaats van dit verzuim te melden, ontstond er een oploop van scholieren bij het apparaat en nam massahysterie bezit van de kantine. Uitzinnige dertienjarigen maakten zich met bergen buitgemaakt snoepgoed uit de voeten, een spoor van Marsen en Twixen achterlatend. Het apparaat was al gauw helemaal leeg. Er was geen vooropgezet plan; de keurige scholieren zouden er niet aan denken op eigen initiatief en op dergelijke schaal te stelen. De grootste dief stond nog geen vijf minuten later vanuit zijn kluis chocoladerepen te verkopen. Ik wist dat hij welgestelde ouders had; zijn beugel en bril verrieden een ontluikende academische interesse. Toch ontpopte hij zich als meesterbrein van deze operatie: falend toezicht had hem een kans geboden en hij handelde vervolgens instinctief en feilloos in zijn voordeel.

Charles Ferguson’s Oscarwinnende documentaire Inside Job (2010) gaat ook over kansen en over bankiers die deze met beiden handen grijpen. De film begint met spectaculaire beelden van IJslandse vlakten en neemt ons vervolgens mee naar Manhattan en Washington, waar ideologische verblinding, hebzucht en belangenverstrengeling tot diep in het Witte Huis regeren. Wat de documentaire bovenal toont is de toegenomen ongelijkheid tussen de schatrijke bankiers en de eenzame, modaal betaalde toezichthouder – de ambtenaar die honderden complexe financiële dossiers op zijn bord krijgt en ’s avonds alleen de lichten uitdoet: je wordt er weemoedig van. Ferguson brengt overtuigend in beeld hoe de invloed van Wall Street sinds de jaren tachtig is toegenomen en het toezicht van Washington op Wall Street is afgenomen. Dit alles met de zegen van Alan Greenspan, directeur van de Federal Reserve en ideoloog der deregulering.

De opmerkelijkste anekdote uit de documentaire kwam van Dominique Strauss-Kahn, die met pretoogjes vertelt over een vertrouwelijk diner waar de directeuren van de grote Amerikaanse banken aanwezig waren. De crisis was net uitgebroken en de bankiers smeekten Hank Paulson, minister van financiën onder Bush, om regulering. Waarom? Omdat ze „te hebzuchtig” waren geworden, gaven ze schoorvoetend toe. In het openbaar durfden ze deze matigende toon niet aan te slaan. Ook de brave scholieren peinsden er niet over tijdens hùn Inside Job de schoolleiding te verwittigen. Ze werden in beslag genomen door hun hebzucht. Pas toen ze later bedremmeld op het matje bij de rector verschenen kwamen ze tot bezinning.

De vele interviews die Ferguson met afwisselend vijandige, openhartige, verwarde en ideologisch verblinde betrokkenen afnam, maakten voor mij als leek meer dan enig artikel of boek inzichtelijk hoe hebzucht de kredietcrisis veroorzaakte. Het was een goede documentaire, want ik verliet de bioscoop wijzer en bozer. Ook begreep ik dat er een documentaire moet komen over de universele hebzucht van deze tijd: winkelen.

Als ik een documentaire over winkelen mocht maken, zou deze eigenlijk gaan over de consequenties die voor ons verborgen blijven. Ik stel me dat als volgt voor. We zien iemand een glimmende gadget aanschaffen en direct daarna krijgen we beelden van de 19de-eeuwse arbeidsomstandigheden in China en grondstoffenoorlogen in Congo. Iemand koopt een voordelig varkenslapje? We zien een majestueus oerwoud in Brazilië tegen de vlakte gaan om plaats te maken voor sojaplantages (beesten uit de bio-industrie eten graag soja). We zien jonge meisjes kleren passen in de H&M en hup, daar verschijnen Indiase waterintensieve katoenplantages in beeld. Om de documentaire aan te kondigen worden reclamespotjes uitgezonden die in slow-motion woest graaiende huisvrouwen op de dolle dwaze dagen tonen. De muziek bij deze beelden is, natuurlijk, de prachtige langzame aria uit de cantate Ich habe genug van J.S. Bach.

Waarom moet deze documentaire er komen? Niet om ons gedrag direct te veranderen. Ik geloof niet dat mensen zich zo snel laten beïnvloeden door alleen maar moraliserendeSIRE-spotjes, net zomin als bankiers vrijwillig hun bonussen inleveren door verontwaardiging in de media. Maar door de consequenties van ons gedrag te zien, kunnen we wel sympathieker tegenover serieuze milieubelastingen komen te staan, net zoals we na het zien van Inside Job meer dan ooit begrijpen waarom financieel toezicht noodzakelijk is.

Belastingen zullen slechts wrevel opwekken wanneer ze niet begrepen worden. Ze zullen dus gerechtvaardigd moeten worden. Zoals we de NS sympathieker vinden wanneer we geïnformeerd worden over de aard van een vertraging, zo kunnen verplichte milieu-etiketten ons ook welwillender stemmen tegenover bepaalde belastingen: ‘Deze roos, die uit Ethiopië is ingevlogen, kostte een halve liter olie, duizend liter water en is besproeid met drie soorten gif die door de EU verboden zijn.’ Spullen die heel slecht voor het milieu zijn, krijgen net als sigarettenpakjes een zwartgerande waarschuwing mee: Dit product kan het milieu ernstig schaden.

Milieubelastingen komen er pas wanneer ze ten minste berusten op onze (morrende) instemming. Waarom milieubelastingen het enige instrument zijn om ons tot gedragsverandering te dwingen behoeft nadere uitleg, want ook na het zien van de ultieme documentaire over de gevolgen van ons winkelgedrag of het lezen van een milieu-bijsluiter zou een verstandig burger zich afvragen of het in zijn belang is minder spullen te kopen. Dat belang is er niet, althans, het is nog te abstract. We worden niet direct beloond wanneer we minder spullen kopen. Alleen door milieubelastingen wordt ons belang concreet gemaakt, want de spullen die bij de productie veel aardolie of water of energie vergen, zullen duurder worden.

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen. Ik reis soms per vliegtuig, omdat het een snel en goedkoop vervoersmiddel is. Toch ben ik erg tegen vliegen; ik denk dat het energie verkwist en bijdraagt aan het broeikaseffect. Ik zou dus de trein kunnen nemen of ik zou kunnen afzien van mijn reis. Maar die trein is trager en duurder. Dat trager vind ik niet zo erg, maar meer betalen om mijn geweten te sussen wil ik niet. Ik wil dit niet omdat ik hebzuchtig ben. Ik ga ook geen geld werpen in een snoepautomaat waar geen slot op zit.

In het tweede geval, wanneer ik besluit niet te gaan, zullen mijn vrienden – die ik bijvoorbeeld beloofd heb op te zoeken – mij verwijten dat ik vage principes stel boven een concrete vriendschap. Ook dat wil ik niet, want daar ben ik niet principieel genoeg voor.

Wat ik wel wil is – net als de bankiers die Hank Paulson om wetgeving vroegen – tegen mezelf in bescherming genomen worden. Ik wil dat vliegen zo duur wordt dat de trein goedkoper is of dat ik de vliegreis niet meer kan betalen. Ik kan dan zeggen: „Jongens, ik kom niet, het is te duur,” waarop ik lekker thuis blijf en de instemming van mijn vrienden mij ten deel valt. Kortom, ik wil mijn vliegtaks terug.

De scholieren van mijn middelbare school werden door de ontgrendelde snoepautomaat in verleiding gebracht. Als de één de repen niet zou pakken, zou een ander het wel doen. Hetzelfde gold voor de bankiers toen het toezicht verdween. Hebzucht lijkt me onuitroeibaar, maar is wel te matigen door instituties. De dolle dwaze dagen en de bonuscultuur bij de banken matigen onze hebzucht niet, maar wakkeren deze juist aan en leiden daarmee respectievelijk tot een milieu- en kredietcrisis. We moeten dus blijven zoeken naar sloten op onze hebzucht. Anders wordt er over twintig jaar een documentaire gemaakt waarin we allemaal de hoofdrol, maar zeker geen glansrol zullen spelen.