Doodleuk mailen naar je directeur

Jonge werknemers moet duidelijker verteld worden wat ze moeten doen, blijkt uit een recent verschenen boek.

De vrijheid op school en thuis geeft problemen op de werkvloer.

De werknemer is een merk geworden. Jongeren weten zich bij een toekomstige werkgever als geen ander te verkopen. Ze zijn extravert, carrièregericht en ze blaken van het zelfvertrouwen. Als het even tegenzit op het werk hoppen ze even makkelijk over naar de volgende geïnteresseerde: voor een generatie waarvan 68 procent zegt ‘Ik ben een heel bijzonder persoon’ (oudere generaties scoren 46 procent) is dat geen enkele probleem.

Zeker, over de generatie jongeren die momenteel de arbeidsmarkt betreden is veel positiefs te melden. Maar onderzoekers Frits Spangenberg en Martijn Lampert van onderzoeksbureau Motivaction stellen in hun gisteren verschenen boek De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de ‘bv IK’ vast dat er ook een keerzijde is aan de medaille: voor de jongere generatie behoort solidariteit met andere werknemers tot het verleden, ze lijden aan zelfoverschatting, krijgen nauwelijks sturing van opvoeders of school, zijn snel gefrustreerd, materialistisch ingesteld, ze dichten zichzelf onwaarschijnlijke leiderschapskwaliteiten toe en hebben een narcistisch wereldbeeld.

Doordat hun mentaliteit en drijfveren het laatste decennium zo snel zijn veranderd, veroorzaakt de generatie jongeren geboren vanaf 1986 een ‘cultuurschok’ op de werkvloer. De komst van een nieuwe generatie collega’s, die zichzelf vaak overschat en minder plichtsgetrouw is dan vorige generaties, is het beste recept voor onbegrip en aanvaringen. De remedie: meer sturing in de opvoeding, op school, en op de werkvloer, en minder vrijblijvendheid.

De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de bv IK is het vervolg op het eind 2009 verschenen De Grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. In dat boek beschreven Spangenberg en Lampert hoe de mentaliteit van jongeren de laatste decennia is verschoven: steeds hedonistischer, individueler en materialistischer. De conclusies uit beide boeken zijn gebaseerd op vijfentwintig jaar mentaliteitsonderzoek onder 22.000 Nederlanders.

Door de vergrijzing en ontgroening krijgt de Nederlandse arbeidsmarkt de komende decennia te maken met krapte. Het CBS voorspelt een tekort van 200.000 werknemers in 2020. „Om het huidige welvaartsniveau vast te houden heb je dus iedereen nodig, óók de jongeren”, aldus Lampert.

Maar Spangenberg en Lampert stellen vast dat steeds meer jongeren niet mee willen of kunnen komen in de veeleisende, moderne samenleving.

Spangenberg: „We leven in een diplomademocratie, waarin je zonder diploma geen kans maakt om hogerop te komen. Dat is een heel zorgelijke ontwikkeling als je bedenkt dat een op de vier jongeren met een vmbo-diploma of lager de arbeidsmarkt betreedt. Bovendien zie je dat de uitval enorm toeneemt. Kijk maar naar de explosieve groei van de Wajong-uitkeringen in de laatste jaren.”

De onderzoekers onderscheiden onder jongeren twee dominante ‘burgerschapsstijlen’. De merendeels hoogopgeleide ‘zelfredzamen’ (47 procent van de jongeren) zijn de individualistisch ingestelde winnaars van de globalisering, die vaak uit eigenbelang handelen en weinig belangstelling hebben voor de publieke zaak. Daartegenover staat de groep vaak laagopgeleide ‘structuurzoekers’ (33 procent van de jongeren), die ook weinig maatschappelijk betrokken zijn, maar zich bovendien vaak buitengesloten voelen en de politiek wantrouwen. De kloof tussen beide is enorm, zegt Lampert. „In geen andere generatie zijn deze groepen zo groot en nog nooit was er onderling zo weinig contact en solidariteit.”

Voor dienende beroepen is in de hedonistische, op het individu gerichte leefwereld van jongeren weinig plaats. Nog maar 38 procent zegt graag te willen werken in een organisatie die maatschappelijke doelen nastreeft, een daling ten opzichte van dezelfde leeftijdsgroep tien jaar geleden (45 procent). Beroepen in de marketing, pr en verkoop zijn onder jongeren daarentegen aanzienlijk populairder dan onder oudere generaties. Ook zijn steeds meer jongeren werkzaam als zzp’er. Het verbaast Lampert niet: „Die beroepen sluiten aan bij een leefwereld waarin status, vrijheid en commercie centraal staat.”

Zowel de opvoeding als het onderwijs heeft bijgedragen aan de populariteit van vrije beroepen en de afkeer van gezag. „Nog nooit zijn kinderen zo vrij opgevoed. Ouders bieden steeds minder sturing, omdat ze zelf ook het liefst jong blijven. Het onderwijs is ondertussen ook steeds structuurlozer geworden, de leraar is sinds de invoering van het competentiegericht onderwijs naar de achtergrond verdwenen. Waar is de leiding?”

Door het gebrek aan structuur in de huis- en schoolsituatie worden jongeren vaak op de werkvloer voor het eerst geconfronteerd met hiërarchische structuren. „Dat kan nogal eens tot misverstanden lijden. Denk aan de jonge werknemer die doodleuk een mailtje stuurt naar de directeur, door alle managementlijnen heen”, vertelt Spangenberg.

In een van de laatste hoofdstukken geven Spangenburg en Lampert adviezen aan werkgevers. Bied jonge werknemers structuur, door een mentorsysteem. Prik door hun zelfverzekerde houding heen. Presenteer de zorg en onderwijs zo dat deze vakken voor jongeren weer interessant worden. Voor wie weleens een drankje heeft proberen te bestellen in een door studenten gerund café is het advies van de onderzoekers aan de horeca veelzeggend: ‘Ga er niet vanuit dat jonge werknemers weten wat dienstverlening en service is; dit moet ze vaak nog aangeleerd worden.’