Waarom wij Assad zijn gang laten gaan

Hoewel in Syrië de burgerbevolking op grote schaal door zijn eigen president wordt aangevallen, lijkt het niet erop dat het Westen iets hieraan zal doen. De VS en hun bondgenoten hebben elders al genoeg te doen, zegt Gideon Rachman.

Terwijl Syrische tanks zich eind vorige week opmaakten om naar Jisr al-Shughour te trekken, lanceerde de Amerikaanse minister Robert Gates (Defensie) zijn eigen offensief. In een toespraak in Brussel zette hij de meeste Europese bondgenoten van de VS weg als een stel nutteloze tijdverspillers. Ik parafraseer, maar niet zo heel erg.

De combinatie van de toespraak van Gates en de Syrische burgeroorlog is veelzeggend. Ze verklaart waarom een twintigjarig experiment met het idee dat westers militair geweld de wereld terecht kan wijzen, ten einde loopt.

Nog maar enkele weken geleden zou dit een verrassende conclusie hebben geleken. Voorstanders van een ‘liberaal interventionisme’ begroetten het besluit om de troepen van kolonel Gaddafi in Libië te bombarderen als bewijs van een lang verhoopt, nieuw tijdperk. Daarin kunnen dictators niet meer zomaar hun eigen bevolking afslachten.

Een westers verzuim om in te grijpen terwijl het Syrische leger zijn eigen burgers mishandelt en vermoordt, is waarschijnlijk een accurater leidraad voor de toekomst dan de campagne in Libië. Uiteraard bestaat een direct verband tussen de westerse onwil om in te grijpen in Syrië en het teleurstellende karakter van de interventie in Libië.

Ook het Syrische conflict moet worden gezien in het kader van een generatielang experiment met het liberaal interventionisme. Dit tijdperk begon in 1991. Toen bleven de Verenigde Staten – na de val van de Sovjetunie – over als enige supermacht. Een snelle overwinning in de eerste Golfoorlog herstelde het vertrouwen in de kracht en in de effectiviteit van de Amerikaanse militaire macht. Sindsdien horen we af en toe een discussie over de vraag hoe en wanneer militaire macht moet worden ingezet. Westerse regeringen verweten zichzelf hun verzuim om in 1991 de Koerden en sji’ieten in Irak te beschermen, maar ook de volkenmoord in Rwanda van 1994 en het jarenlange getreuzel op de Balkan. Een reeks ogenschijnlijk geslaagde interventies – Bosnië, Kosovo, Oost-Timor, Sierra Leone – versterkte gaandeweg de overtuiging dat de westerse militaire macht kon worden ingezet om conflicten te beëindigen en burgers te redden.

Na de bittere ervaringen van de oorlogen in Afghanistan en Irak verschoof de discussie over militair ingrijpen eens te meer. Barack Obama in de VS en David Cameron in Groot-Brittannië beloofden beiden dat ze als leider een veel behoedzamer houding zouden aannemen tegenover buitenlandse militaire avonturen.

Opeens was daar de Arabische Lente. De westerse leiders gingen toch weer over tot militaire actie, ditmaal in Libië. Obama deed het met duidelijke tegenzin. Cameron en president Nicolas Sarkozy van Frankrijk deden het met zichtbaar enthousiasme.

De oorlog in Libië illustreert hoe de loop van de gebeurtenissen een politiek leider kan dwingen om kleur te bekennen. Dit zou ook in Syrië nog kunnen gebeuren. Veel waarschijnlijker lijkt het dat het Westen deze keer aan de kant blijft staan.

Dit is deels het gevolg van een impasse in de Verenigde Naties. Daar zijn Rusland en China – boos om de oorlog in Libië – al tegen een veroordeling van de gebeurtenissen in Syrië, laat staan een resolutie die de weg tot ingrijpen zou effenen. De bredere achtergrond is het afnemende vermogen en de slinkende bereidheid van het Westen om hoe dan ook in te grijpen.

De toespraak van Gates betekent het einde van de Amerikaanse ambitie om de NAVO om te vormen tot de mondiale militaire tak van een verenigde westerse wereld. De Amerikanen spelen al met dat idee sinds het begin van de ‘oorlog tegen de terreur’. Naarmate de oorlog in Afghanistan zich voortsleept, zijn de militaire inspanningen steeds sterker afhankelijk geworden van de VS.

De oproep van de Europeanen tot een campagne in Libië die ze alleen niet aan kunnen, heeft de Amerikanen weer eens gesterkt in hun opvatting dat de Europese tak van de NAVO min of meer lamlendig en onbetrouwbaar is. Door de wanorde en onderlinge verwijten binnen de NAVO hapert het potentieel doeltreffendste instrument voor westers militair ingrijpen in andere landen.

Nog belangrijker is op den duur de Amerikaanse angst dat de bezuinigingen die in Europa tot een lagere defensiebegroting leiden, ook navolging zullen vinden in de VS zelf. Admiraal Michael Mullen, de hoogste Amerikaanse militair, heeft het begrotingstekort de grootste bedreiging genoemd voor de Amerikaanse nationale veiligheid. Het is ook de grootste rem op toekomstige staaltjes van ‘liberaal interventionisme’.

Al is geld is niet het enige probleem. De afgelopen twintig jaar is duidelijk geworden dat snel overeengekomen militaire acties kunnen leiden tot complicaties die nog jaren duren. In Kosovo is nog altijd een NAVO-missie en in Bosnië een militaire EU-missie, meer dan tien jaar nadat op beide plaatsen de gevechten zijn geëindigd.

Wat Afghanistan betreft – dat conflict duurt nu bijna tweemaal zo lang als de Tweede Wereldoorlog. De westerse regeringen hebben nog maar amper verwerkt wat binnenkort misschien zal worden verlangd in Libië. Tegen deze achtergrond blijven maar weinig liefhebbers over voor weer een militair waagstuk – in Syrië.

Gideon Rachman is columnist bij de Financial Times. © Financial Times