Waarom moet ik per se fietsen?

Terwijl ik het blonde haar, de Friese naam, de zomersproeten en de angst voor mensen die opeens willen mee-eten allemaal van harte omarm, is er iets aan mij bepaald on-Hollands: ik heb een hekel aan fietsen. Een afkeer van fietsen kan niet bepaald rekenen op begrip. Aan van alles mag je een hekel hebben: spinnen,

Terwijl ik het blonde haar, de Friese naam, de zomersproeten en de angst voor mensen die opeens willen mee-eten allemaal van harte omarm, is er iets aan mij bepaald on-Hollands: ik heb een hekel aan fietsen.

Een afkeer van fietsen kan niet bepaald rekenen op begrip. Aan van alles mag je een hekel hebben: spinnen, musicals, baseballpetjes, baby’s met gebitjes, het woord ‘afkeer’, hoe een hond kijkt als hij poept, maar fietsenhaat is onbespreekbaar.

Mensen hebben een vreemd soort trots als het gaat om de fiets. Nederland en de fiets zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: het staat voor gezond, voor handig, voor lekker gewoon gebleven, voor het bikkelen op een dijk tegen de felle Noordwester wind.

Ook in de stad leeft die gedachte: mensen vinden het maar lui, als je niet van fietsen houdt. Lui en belachelijk. Nu zijn er allerlei geaccepteerde vormen van luiheid, zoals weekendmarathons World of Warcraft, bioscoopdagen of urenlange pedicures. Zolang je daar maar naartoe gaat op de fiets, is er niets aan de hand.

Het is uiteraard waar: ik bén lui. Ik ben geen fan van overdadige lichaamsbeweging. Toch klopt het ook niet helemaal: ik vind lopen bijvoorbeeld bijzonder prettig, een rustige activiteit die ik ook nog kan combineren met muziek luisteren of nadenken.

Het fietsen laat daar geen ruimte voor – daar moet ik elke hersencel inzetten om suïcidale duiven en lichaamsplettende vrachtwagens te ontwijken. Daarbij word ik vrij moedeloos van het concept tegenwind. Nauwelijks vooruitkomen, hijgen, zweten in je jas – onbegrijpelijk dat niet meer mensen het fietsen willen opgeven.

Mijn vrienden, die geen van allen enig respect tonen voor dit probleem, zeggen nu dat ik me niet zo moet aanstellen: het is nou eenmaal niet anders. „Aha!” zeg ik daarop. „U heeft het mis! Ik zeg: de elektrische scooter.”

Al maanden verlang ik naar een elektrische scooter: schoon, sierlijk en tegenwindvretend. Een win-winsituatie: ik zou eindelijk niet meer hoeven fietsen en ik zou een scooter hebben, wat me zo mogelijk nog stoerder zou maken dan een getatoeëerd traantje naast mijn oog.

Toch kon ook dit plan op behoorlijk wat tegenstand rekenen. ‘Waarschijnlijk ben je dan binnen drie maanden heel dik en lui’ was het meest gehoorde argument, naast ‘een scooter stáát je gewoon niet, dan word je echt een soort Debby’ en ‘je woont op drie hoog, hoe ga je die accu opladen? Vijf verlengsnoeren uit het raam?’

Dat laatste argument was jammer genoeg toch vrij overtuigend. Blijkbaar kan je de accu niet even onder je arm mee naar boven nemen, om hem naast je waterkoker een nachtje in het stopcontact te steken. Toch sluimert het plan nog steeds. Als ik ploeterend op de fiets zit en de tegenwind vervloek, zie ik mezelf in gedachten met wapperende haren voorbijzoeven, toeterend, misschien met een rieten mandje voorop.

Als een echte Debby.