Waarom gilt een vrouw?

Dini Wondergem uit Middelharnis wil weten waarom kinderen en vrouwen vaker gillen dan mannen. „Er wordt voor niets een panieksituatie gecreëerd.”

De hoge, penetrerende gil bij het zien van een muis. Het hysterische gekrijs bij een popconcert. De blije ongearticuleerde gilletjes als twee vriendinnen elkaar na een lange tijd weer in de armen vliegen. Het is allemaal aangeleerd gedrag, zegt hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Amsterdam Agneta Fischer. „Het evolutionaire voordeel van gillen is dat andere mensen gewaarschuwd worden zodat ze je te hulp kunnen komen. Maar in de moderne tijd bevinden mensen zich nauwelijks meer in gevaarlijke situaties en dus zijn we gillen gaan zien als onnodig, kinderlijk en impulsief gedrag. Daarom vermijden vooral mannen een gilletje: ze willen volwassen en weloverwogen overkomen. Bij vrouwen ligt het net iets anders. Een gilletje op zijn tijd wordt nog wel aandoenlijk of schattig gevonden.”

Veel onderzoek naar gillen is er niet gedaan, maar in het algemeen is het tonen van emoties volgens Fischer grotendeels sociaal bepaald. „Dat weet ik omdat het afhankelijk van de context is of mensen hun emoties laten zien. Vrouwen die bang zijn voor een muis zijn minder geneigd te gillen als ze er een zien in een belangrijke vergadering dan als het beestje in een omgeving met minder strikte sociale codes zoals hun huiskamer rondloopt.” Die sociale codes krijgt iedereen tijdens het opgroeien aangeleerd. „Ouders treden corrigerend op, vriendjes lachen elkaar uit als het gewenste gedrag niet wordt getoond.”

Hersenonderzoeker Dick Swaab, ook van de Universiteit van Amsterdam, is het niet met Fischer eens. Volgens Swaab zijn sekseverschillen in het gedrag juist grotendeels aangeboren. „Vaak wordt gezegd dat meisjes leren spelen met poppen en jongens met auto’s. Maar vergelijkbare voorkeuren in spelgedrag kun je aantonen bij jonge aapjes, die helemaal geen sociale codes krijgen opgelegd. Natuurlijk wordt gedrag in de loop der tijd aangescherpt en in die zin hebben de psychologen altijd wel een beetje gelijk, maar de basis ligt in de verschillen in de hersenen.”

Reinier Kist