Vakman in Paradiso

Opeens wilde ik gisteravond naar Tom Russell in Paradiso. Zijn naam was mij bekend, zijn songs nauwelijks. Kenners van het countrybluesgenre hadden hem tegenover mij vaak geroemd, hij was inmiddels 58 jaar, het werd tijd dat ik hem ging bekijken.

Om mezelf te overtuigen zocht ik op internet wat liedjes van hem op. Twee pareltjes vielen me meteen op: Finding you en Touch of Evil. Het laatste liedje met het refrein: Why don’t you touch me anymore? Why do you run away and hide? You know it hurts me deep inside/ Why do you close the bedroom door?/ This is a brutal little war/ What good is all this fightin’ for/ If you don’t touch me anymore?

Vermoedelijk uit het eigen leven gegrepen, want in Paradiso zei Russell met een glimlach: „De beste liedjes schrijf ik in de periode tussen twee liefdes.”

Hij had zijn nieuwe vrouw bij zich, ze zat na afloop achterin de zaal om samen cd’s te verkopen. Dat is het leven van de kleinere artiest: sappelen op tournee in de vrijwel vervlogen hoop dat een grote hit meer financiële zekerheid zal geven. Toch heeft Russell over aandacht en lof niet te klagen. Bij David Letterman mocht hij vijf keer optreden, collega’s en schrijvers zijn lyrisch over zijn werk.

Schrijfster Annie Proulx schreef: „Hij is authentiek, een briljante songwriter met een rusteloze nieuwsgierigheid en een bijna gewelddadige verbeeldingskracht.” En Tom Paxton, zelf een folklegende: „Zijn karakters kunnen zich meten met die van de schrijver Cormac McCarthy.”

Waarom is hij dan toch geen beroemdheid geworden? Eind jaren zeventig raakte zijn carrière zelfs zozeer in het slop dat hij taxichauffeur in New York moest worden. Op een dag zat een lid van de popgroep Grateful Dead in zijn auto. Hij liet hem een eigen song horen en de man was zó onder de indruk dat hij hem vroeg samen op te treden. Hij kon weer terug in zijn vak.

Misschien heeft het met zijn uitstraling op het podium te maken. Hij oogt als de gemoedelijke kroegbaas die besloten heeft zijn stamgasten te amuseren met een paar liedjes van eigen makelij. Geen sporen van geheimzinnige gekweldheid of ernstig drugsgebruik, nee, gitaar voor de borst en zingen maar, samen met een hulpje, vijf kwartier, non-stop. Tussendoor vertelt hij goedmoedige verhalen over zijn leven. Waar hij zijn laatste vrouw heeft leren kennen (in Zwitserland), waar hij woont (El Paso, Mexico) en wat zijn plannen zijn. Hij voelt zich nog in de kracht van zijn leven, popcritici noemen zijn laatste cd Blood and Candle Smoke een meesterwerk, de beste van zijn carrière.

Ik vond hem in Paradiso een voortreffelijke vakman, maar charisma – nee, althans, niet voldoende. Het is alsof hij dat zelf ook aanvoelt, want hij praat steeds over artiesten die dat wél hebben: Bob Dylan („Ik heb hier aan de overkant nog een aantal cd’s van hem gekocht”) en Leonard Cohen („Ik zag hem laatst optreden, ongelofelijk, hij heeft nog ‘the vibes’”).

Johnny Cash is voor hem ook zo iemand. Cash zong ooit een song van Russell, het prachtige Veteran’s Day. Russell zong het zelf ook in Paradiso, maar hij deed het in een imitatie van Cash. „Sinds hij het heeft gezongen, krijg ik bij dit nummer zijn stem niet meer uit mijn hoofd”, vertelde hij.

Dat had iets symbolisch. Hoe goed ook, Russell zou zelf altijd in de schaduw van de groten blijven. Hij wist het en hij kon ermee leven. Wij trouwens ook, want hij gaf ons een mooie avond.