Ik zeg: de Kamer is net één grote familie

Hoe komen mensen in politiek Den Haag terecht? Vandaag: de vrouw die al vijfentwintig jaar in het Kamerrestaurant werkt.

De goudvis krijgt van Nel Pellerin hondenbrokken als ontbijt. „Het restje van Darla”, zegt ze als ze het blik hondenvoer van haar dertienjarige yorkshireterriër boven de vissenkom omkiepert. „Die vis teert er al jaren op.”

Al jaren. Naast ‘schat’ de twee woorden die Nel Pellerin vaak gebruikt. Het restaurant in de Tweede Kamer? Daar werkt ze al jaren. Haar huis? Daar woont ze al jaren. De hondenbrokken in de vissenkom? Al jaren. De route naar haar werk? Doet ze al jaren. Ze is een „echte Hagenees”. En dan heeft ze het niet alleen over haar blonde haar, flinke accent en gezellige voorkomen, maar ook over haar liefde voor gewoontes. „Ik ben ook een enorme regelatuur”, zegt ze. Pellerin bedoelt: ze treuzelt niet, houdt van organiseren en komt op tijd.

En op tijd is voor Pellerin eigenlijk altijd te vroeg. ’s Ochtends loopt ze „als een gek door het huis”. Ze staat om zes uur op, zet lunch en avondeten klaar voor haar man en laat haar hond uit. Dan gaat ze, drie kwartier te vroeg, naar haar werk in het restaurant van de Tweede Kamer. Om dingen te regelen voordat het restaurant volstroomt met bezoekers. Pas laat in de avond komt ze thuis.

Op de marmeren schouw in haar huis prijkt het zilveren koetsje. Voor vijfentwintig jaar trouwe dienst in de Tweede Kamer. Pellerin: „Mijn werk is bijna het beste wat me is overkomen. Het is hier zo hartelijk. Mensen van alle rangen en standen: iedereen in de Kamer straalt. Ik zeg wel eens dat we op de TROS lijken. Eén grote familie.”

Ook niet onbelangrijk: in het restaurant komt ze tot rust. Iets wat haar steeds minder goed afgaat als ze op haar brommer naar huis rijdt en de voordeur achter zich dichttrekt. Thuis is de buurt achter station Den Haag Hollands Spoor. Het is er veranderd. Achteruitgegaan. Pellerin: „Ik was drie weken geleden in Torremolinos en daar kon je van de straat eten. Kom je terug van vakantie, blijkt dat niemand zijn eigen vuilnis uit de hal heeft gehaald en buiten heeft gezet.” Ze trekt een vies gezicht. „Maden, vliegen en stinken!” Als Pellerin het vuilnis niet buitenzet, doet blijkbaar niemand het.

Haar vrienden en familie zijn uit de buurt vertrokken. De tijd van de gezelligheid van de Haagse Hofjes is voorbij. Daar is ze niet zo rouwig om. Wat ze wel mist is de saamhorigheid. „Dat je niet meer een kopje suiker haalt bij de buren.” Of dat er in één week drie keer is geprobeerd in te breken in haar huis, dat een drugsdealer eens een pistool op haar richtte, dat het ruitje in het portiek steeds maar weer kapot gaat. Het is onveilig geworden in de buurt.

Pellerin zucht. „Het is hier niet meer te leven. Ik heb een fijn huisje, maar ik kom hier niet meer tot rust.” Ze denkt aan verhuizen. Maar dat ze nu weg wil omwille van anderen, weg uit de wijk waar ze haar hele leven heeft gewoond, dat steekt. „In deze buurt ligt mijn alles. Bij denken aan verhuizen krijg ik het al benauwd.” Het vliegt haar soms aan. Ze wijst naar haar keel en grijpt naar een zakdoek.

De zorgen over haar buurt neemt ze niet mee naar haar werk. Althans, Pellerin bespreekt ze niet met de Kamerleden die elke dag hun lunch bij haar afrekenen. „Daar voel ik weinig voor. Ik zit daar om mijn werk te doen.”

Nel Pellerin heeft sowieso weinig met politiek. „Behalve toen al die CDA-Kamerleden weg moesten, na de laatste verkiezingen. Dat was verdrietig, want je weet dat je ze niet meer ziet.”

Over drie jaar gaat Pellerin met pensioen. „Ik kijk er niet bepaald naar uit. Wat ga ik de hele dag doen? Me opwinden over de buurt waarin ik woon?” Laat haar maar lekker aan de slag gaan. Maar toch, begin januari is ze begonnen met een dag minder werken. Op maandag gaat Pellerin bij haar dochter op bezoek, die net een schoonheidssalon heeft geopend. Of winkelen met vriendinnen. Het bevalt prima. Het geeft haar rust, weten dat ze niet altijd met haar werk bezig hoeft te zijn. „Ik leef voor mijn werk, voor de Tweede Kamer. Maar misschien moet ik het leren. Gewoon, genieten op mijn balkon, in de zon, en me nergens druk over maken.”