Hoe gaan tv-interviews?

Televisiemakers vormen de arrogantste beroepsgroep die ik ken. Zij zullen je altijd laten voelen dat jij het moet beschouwen als een voorrecht om onbezoldigd je tijd op te offeren om hun duur betaalde programma’s van enige inhoud te voorzien. En dat je een schrijver bent, pleit niet in je voordeel. Integendeel. Ze zijn als de dood voor literatuur. Voordat je het weet, zegt de schrijver live in de uitzending opeens een woord van meer dan drie lettergrepen. Dat zou desastreus zijn voor de kijkcijfers.

En omdat televisiemakers geproefd hebben van de giftige appel van de almacht, zullen ze je altijd tot op het laatste moment aan het lijntje houden. Ze bellen je zuchtend op om te zeggen dat ze uiteraard totaal niet geïnteresseerd in je zijn, maar dat er tot hun grote teleurstelling voor overmorgen een andere, veel interessantere gast is weggevallen. Met het voorbehoud dat er geen ander breaking news zal zijn dat belangrijker is dan jouw nieuwe boek, zoals ruzie tussen Gordon en Gerard Joling. Eigenlijk is elk nieuws belangrijker dan jouw boek, dat moet je goed begrijpen. Tenslotte bellen ze je om te zeggen dat er bij hoge uitzondering geen nieuws was deze dagen, maar dat ze godzijdank op het laatste nippertje toch nog een andere gast hebben weten te vinden, waardoor jouw item is komen te vervallen.

En het zogenaamde ‘voorgesprek’ is een heuse sollicitatieprocedure. Ooit was er sprake van dat Pauw & Witteman heel wellicht geïnteresseerd zouden zijn om een gesprekje te voeren over mijn boek Het ware leven, een roman. Of ik naar Amsterdam wilde komen voor een voorgesprek met iemand van de redactie. Ik heb het nog gedaan ook. En ik was in bloedvorm. Ik hield een gloedvol betoog over de actuele maatschappelijke relevantie van de roman, waarbij ik behendig het literaire gehalte minimaliseerde. Geïnspireerd analyseerde ik de actualiteit in termen van de kwestie van authenticiteit en legde uit in welke opzichten mij die zorgen baarde. ‘En wat is uw oplossing?’ vroeg het meisje van de redactie. Ik zei dat het boek geen oplossing wilde bieden, dat dat niet de taak is van een roman, maar dat het een paar verdomd goede vragen wilde stellen. Daarop klapte zij haar schrijfblok dicht. ‘Een pessimistisch boek dat geen oplossingen biedt, is geen goede televisie.’

En als het wonder dan toch gebeurt en als je met de grootst mogelijke tegenzin dan toch wordt uitgenodigd voor een programma, ben je er zomaar een halve dag mee kwijt. En je mag blij zijn als je gesprekje zes minuten duurt. En uiteraard zal de presentator er alles aan doen om je boek als gespreksonderwerp te vermijden. Hij zit op de punt van zijn stoel om je in de reden te vallen zodra je ook maar aanstalten maakt om een genuanceerde gedachte te formuleren of sowieso langer dan vijf woorden achter elkaar aan het woord bent.

Ilja Leonard Pfeijffer