Drager van de Europese cultuur

Jorge Semprun was geen Spaanse en geen Franse schrijver. Hij was een Europese schrijver. De Spaanse oud-minister van Cultuur schreef in het Frans. Hij woonde ook in Frankrijk. Daar is hij zondag begraven, in een dorp bij Parijs. Zijn kist was bedekt met de vlag van de Spaanse republiek. Zo verwees zijn uitvaart naar het beginpunt van zijn deelname aan de Europese geschiedenis – de overweldiging van zijn geboorteland door het fascisme. Dat had hem als jonge man in ballingschap gedreven.

In dertig – veelal autobiografische – boeken en filmscenario’s verwerkte hij zijn ervaringen uit het concentratiekamp Buchenwald, zijn werk als coördinator van de communistische illegaliteit tijdens het Francoregime in Spanje, zijn desillusie over het communisme en zijn streven om, zoals hij het noemde, „Europa als mogelijkheid van een multinationale en supranationale democratie te ontdekken”.

Per saldo was Semprun iemand die niet alleen de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw aan den lijve heeft ondervonden en daarvan getuigenis aflegde. Hij was vooral drager van de Europese cultuur. Toen hij in 2003 de Duitse Bondsdag toesprak, ter gelegenheid van de jaarlijkse Auschwitzherdenking, zei hij zich geen vreemdeling te voelen in het Duitse geestesleven. „Sinds mijn jeugd hebben uw dichters en uw filosofen mijn denken verrijkt.”

Dat was geen beleefdheidsfrase tegenover de Duitse parlementariërs. Met Goethe, Heine en Hölderlin had hij al kennisgemaakt op het gymnasium in Den Haag. Daar was zijn vader gezant van de Spaanse republiek. In zijn boek De dode met mijn naam schrijft hij hoe hij het gebrul en het dreigende gescheld van de SS-bewakers in Buchenwald kon bezweren door bij zichzelf de muziek van de Duitse taal op te roepen en in zijn hoofd zinnen te zeggen als „Wer reitet so spät durch Nacht und Wind...”, of „Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass ich so traurig bin...”, of „Ein Gespenst geht um in Europa, das Gespenst der Kommunismus...”

Voor de Bondsdag presenteerde Semprun zich als „medestrijder van de Duitse antifascisten”. Op de vraag wat zijn werkelijke identiteit was – Fransman of Spanjaard, schrijver of politicus – antwoordde hij: „Ik ben in de eerste plaats en vóór alles een voormalige gedeporteerde naar Buchenwald, want daar, in de uiterste verte van dit ballingsoord, heeft mijn wortelloze identiteit wortel geschoten.”

Hierna trok hij een parallel met de Duitse identiteit. Die is gered door de Vergangheitsbewältigung. Dat is de verwerking van het verleden, het bewustzijn van de licht- en schaduwzijden van een natie die haar scheppende capaciteiten ontwikkelt binnen de Europese Unie en gericht op de Europese toekomst.

Deze woorden hielden, wat mij betreft, een duidelijke vermaning in tegen de geest van provincialisme en nationalisme. Die had in Nederland al de kop opgestoken toen Semprun voor de Duitse Bondsdag sprak. Sindsdien is hij niet meer in de fles te krijgen. Toevallig zond de VPRO gisteravond een reportage uit waarin werd teruggekeken op het Nederlandse nee bij het referendum in 2005, over een Europese Grondwet. Toen en nu werd de anti-Europese stemming aangewakkerd met het argument dat wij te veel betalen voor Europa. Ik vrees dat dit discours alleen maar aan kracht gewonnen heeft, door de Griekse schuldencrisis. Het is nog een geluk bij een ongeluk dat de Grieken geen moslims zijn.

In het gekerm en geweeklaag over de Griekse tekorten en de dreigende Europese crisis is nauwelijks meer gehoor voor het idee dat Europa een democratisch project is. De toekomst daarvan kan niet alleen afhankelijk zijn van economische en machtspolitieke belangen. Semprun verwees in zijn rede voor de Bondsdag naar de Duits-Joodse filosoof Edmund Husserl. In 1935, in het aangezicht van de barbarij, bracht hij als eerste de mogelijkheid en de noodzaak naar voren van een Europese supranationaliteit. De Europese crisis was volgens Husserl alleen oplosbaar door een spirituele waardegemeenschap die niet zou zijn gebonden aan landsgrenzen.

Semprun zag geen tegenstelling tussen het respect voor nationale cultuur en de Europese eenheid. Volgens hem is diversiteit juist bepalend voor de Europese identiteit. Hij merkte in 2007 in een interview met De Groene Amsterdammer op dat „het bijzondere van een bepaalde cultuur tegelijk universele zeggingskracht heeft”. Ook bij die gelegenheid wees hij op Husserl. Die had Europa een spiritueel project genoemd. Het respect voor de eigen cultuur behoort net zo goed daartoe als het respect voor de ratio, de mensenrechten en de politieke vrijheid.

De rode draad in het Europese denken van Semprun was altijd Duitsland. Hij hield de Bondsdag voor dat de verwachtingen en beloften, maar ook de risico’s van de Europese Unie de Duitsers voor bijzondere verantwoordelijkheden stelt – niet alleen op grond van de geopolitieke situatie, maar bovenal op grond van de historische ervaringen van de hele vorige eeuw.

Blijft Duitsland bereid om die verantwoordelijkheid te dragen, of raakt het besmet met het populisme en nationalisme dat Semprun zo hartstochtelijk heeft bestreden en dat Europa meer bedreigt dan welke schuldencrisis ook?