De politieke paradox Erdogan

De Turkse premier Tayyip Erdogan moet een teleurgesteld man zijn. Naar Europese maatstaven heeft hij bij de parlementsverkiezingen van zondag een prestatie geleverd naar het voorbeeld van Margareth Thatcher, die elf jaar regeerde in Groot-Brittannië. Maar in de Turkse context heeft Erdogan een overwinningsnederlaag geleden.

Natuurlijk. Na ruim acht jaar hebben de burgers in Turkije nog geen genoeg van de premier en de conservatieve Gerechtigheids- en Vooruitgangspartij (AKP). Hun opmars lijkt onstuitbaar: van 34 procent in 2002 tot net geen 50 procent zondag. De AKP is nu de grootste in Istanbul, Ankara, Adana en Atanalya en – op Koerdistan en de grensstreek bij Armenië na – de rest van het land. De seculiere sociaal-democratische Republikeinse Volkspartij (CHP) houdt de eer van aartsvader Kemal Atatürk alleen nog hoog aan de Griekse grens en rond Izmir.

De verklaring voor dit succes? De economie! Turkije wil in 2023 de tiende economie ter wereld wil zijn. De natie is een regionale grootmacht die steeds meer een eigen rol speelt in het Midden-Oosten en rond de Zwarte Zee. Voor Europa, dat de uitslag met holle woorden over toetreding tot de EU toejuichte, loopt Turkije niet meer zo warm.

Toch heeft Erdogan, die niet voor wat intimidatie van politieke tegenstanders en journalisten, zijn staatkundige doel niet gehaald. De AKP hoopte op een tweederdemeerderheid in het 550-koppige parlement. Dan had ze de grondwet zonder compromissen kunnen wijzigen en Turkije kunnen omvormen tot een presidentiële republiek. En anders dacht Erdogan zeker te zijn van een gekwalificeerde meerderheid van 330 zetels, nodig om dit per referendum te realiseren. Maar de AKP bleef steken op 326 zetels.

Die paradox – stemmengroei maar zetelverlies – is niet zozeer gevolg van de bescheiden winst van de CHP, die naar 25 procent is gekropen, maar veeleer van het relatieve succes van twee weerbarstiger oppositiepartijen. Zo is de Turkse ultranationalistische MHP, die last had van een lastercampagne over de seksuele moraal van een zestal politici, er toch in geslaagd de kiesdrempel van 10 procent te halen En in Koerdistan wist de links-nationalistische Partij voor Vrede en Democratie het zeteltal bijna te verdubbelen tot 35. Die winst heeft hoe dan ook betekenis.

Het gevolg is dat Erdogan een overtuigend mandaat heeft voor zijn succesvolle economische beleid maar voor zijn constitutionele plannen afhankelijk is van de oppositie. Hij kan gemene zaak maken met ultrarechts of openingen door het seculiere midden zoeken. Ook de Koerden kunnen daarvan gebruikmaken. Hun streven naar culturele autonomie heeft nu ineens een krachtige politieke impuls gekregen.

Dankzij de overwinningsnederlaag van de AKP doemen nieuwe en interessante perspectieven voor Turkije op.