Zijlstra ontbladert kunst

Het is zo ver. Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) heeft zijn definitieve plan van bezuiniging op de cultuur gepresenteerd. Hij wilde de cultuur, waarin opgenomen ‘de kunsten’, teruggeven aan de burger, zo zei hij eens. Nu is definitief duidelijk wat hij met die belofte bedoelde. Zoals al langer doorschemerde, smeedde hij een mes dat aan twee kanten snijdt. Enerzijds waarborgen zijn maatregelen (200 miljoen euro korting, een vermindering van een kwart op het totaal van het subsidiegeld) een sanering van de schatkist. Anderzijds spreken ze, door hun buitensporige omvang en de snelheid waarmee ze worden doorgevoerd, een laatdunkend oordeel uit en dwingen ze een radicaal andere structuur van het culturele aanbod af. En de burger? Die krijgt de cultuur dus terug. Die hij helemaal niet kwijt was. Want Zijlstra en in zijn kielzog de coalitie van VVD en CDA, nadrukkelijk gestuurd door de PVV, menen dat de burger vooral gebaat is bij de ‘topinstellingen’. Bij de oude bekenden dus, die kunnen bogen op bewezen kwaliteiten, ruime, liefst internationale bekendheid en een eerbiedwaardig verleden. Het Rijksmuseum, Het Nationale Ballet, het Filmfestival Rotterdam. Inderdaad, die wil niemand kwijt. Kan ook niet. Zijlstra roemt zedig hun niveau. Maar daarnaast geldt nog een argument. Deze topinstellingen zijn, in de termen van de bankencrisis, too big to fail. Oftewel: ze aanpakken was onverantwoord contraproductief geweest. Daarom koos Zijlstra voor verantwoord contraproductief. Met zijn bezuinigingsmaatregelen geeft hij een corrigerend pak rammel aan de sector in de cultuur waar op middelgrote tot kleine schaal wordt gewerkt. Waar experimenten worden gedaan. Waar een minder breed terrein wordt bestreken. Waar initiatieven worden uitgevogeld door kunstenaars, mikkend op het overtuigen van bijvoorbeeld een regionale aanhang, of te veel op drift voor een massaal publiek. Het zal wennen zijn: theaters zullen sluiten, muziekpodia zullen leeg staan en de collecties van musea verdwijnen achter gesloten deuren. Films komen uit de VS en uit de rest van Europa, op een enkele coproductie na.

De vertegenwoordigers van de kunsten hebben zich de afgelopen maanden tegen de aangekondigde dood verweerd met een verpletterende braafheid. In plaats van zelfbewust te staan voor het belang van de kunsten voor het geestelijk, creatief en intellectueel welzijn van Nederland, benadrukten ze vooral het economisch belang van een gezond cultureel klimaat – gegarandeerde bijvangst van kunst maar beslist niet het doel. Goeiig stamelden ze dat ze heus wel wilden bezuinigen, maar niet zo snel en mocht het een beetje minder? Gedwee wezen ze op hun eigen goeie gedrag. Zijlstra liet ze kletsen, ook zijn eigen Raad voor Cultuur (RvC). Die werd gevraagd om advies. In plaats van op te komen voor de kunst kwam de RvC, onder het mom van rebellie, met een plan dat precies het gevraagde bedrag bezuinigde, zij het langs andere coördinaten. Het werd voor spek-en-bonen aanvaard. De RvC knikte beleefd en staat nog steeds met de pet in de hand, alsof geschoffeerd worden verplicht is en opstappen niet mogelijk.

Pleisters kunnen nu geplakt worden door fondsen als het Prins Bernhard Cultuurfonds, onafhankelijke bemiddelaar voor kunst en mecenaat. Door steden en gemeenten die hun welzijn zien verschralen door het onderuithalen van hun culturele voorzieningen. De kunstwereld moet niet gedwee wachten op betere tijden. Zo kondigde het Haags Gemeentemuseum aan een vleugel in te richten voor Mondriaan, Nederlands kunstenaar van wereldbelang. De directeur zei: „Scholen uit het hele land zitten hier echt op te wachten”. Het publiek ook, suggereerde hij. Dat is het enige antwoord op de ontbladeringstactiek van Zijlstra. Geen dekking zoeken maar uitdagend laten zien: dit is onze kunst, hier staan we voor, dit gaat iedere Nederlander aan.