Wees blij met de Grieken! Door hen zijn wij rijk

De euro moest eenheid brengen tussen ongelijksoortige landen. Dat was vragen om problemen, betoogt Jan Luiten van Zanden.

In Europa is een morele as van het kwaad ontstaan van spilzieke en corrupte zuiderlingen rond de Middellandse Zee, tegen wie de deugdzame en spaarzame burgers en overheden uit het Noorden zich afzetten. Het politieke debat gaat over hoeveel middelen het Noorden moet vrijmaken om het Zuiden te redden.

Duidelijk is dat het Noorden zijn zaakjes na de financiële crisis van 2008 en 2009 voor elkaar heeft en het Zuiden helemaal niet. Daar is de economie in een diep gat terechtgekomen. De (jeugd)werkloosheid loopt alleen maar op. In het Noorden loopt de centrale motor van het herstel als een trein. De Duitse export en industrie zijn wonderbaarlijk snel uit het dal geklommen. Landen als Nederland en België laten een vergelijkbaar positief beeld zien.

De moraal is duidelijk. De noordelijke deugden worden beloond en de zuidelijke verspilling bestraft.

Bij deze simpele voorstelling van zaken kunnen grote vraagtekens worden gezet. Het noordelijke succes en het zuidelijke falen zijn, tot op zekere hoogte, onderdeel van dezelfde dynamiek van het eurosysteem. Het probleem van dit systeem was dat het landen verenigde met heel verschillende sociaal-economische tradities en politieke systemen. Landen als Italië, Spanje, Griekenland en Portugal kenden in het verleden een hoger tempo van inflatie en daardoor een hoger renteniveau. Dit werd op den duur gecompenseerd door met enige regelmaat te devalueren. De economie kreeg dan weer een flinke oppepper, totdat de hogere inflatie het voordeel weer had opgesoupeerd.

De invoering van vaste wisselkoersen binnen de Economische en Monetaire Unie (EMU) had twee gevolgen in het Zuiden. De rentestand daalde sterk. Dit werd met gejuich ontvangen in de jaren negentig. Het was het signaal dat de markt de euro serieus nam en rekende op een succesvolle invoering ervan. De daling van de rente was in eerste instantie een zegen voor de zuidelijke landen. Het leidde tot een toename van investeringen in vastgoed en stimuleerde de economische groei. Het maakte het tevens mogelijk om moeilijke bezuinigingen op de overheidsbegroting uit te stellen.

De daling van de rentestand en de boom die daarop volgde – vooral in de bouw – voorkwamen dat de lonen en prijzen even weinig stegen als in de noordelijke landen. Loon- en prijsspiralen zijn taaie fenomenen. Zij laten zich alleen doorbreken in tijden van echte crisis. Hierdoor ontstond een fundamentele onevenwichtigheid binnen de EMU. Die is verantwoordelijk voor een groot deel van de problemen. De zuiderlingen hebben zich uit de markt geprijsd. De noorderlingen zijn een goedkoopte-eiland geworden. Tot de terugval van 2008 en 2009 werd deze onevenwichtigheid nog aan het oog onttrokken door de sterke economische expansie van landen als Spanje en Ierland. Nu die tot het verleden behoort, komen de onderliggende verhoudingen des te scherper aan het licht.

Gaan we ervan uit dat de verhouding tussen noord en zuid bij de invoering van de euro halverwege de jaren 1990 min of meer in evenwicht was, dan is daarna een verschil in concurrentiekracht ontstaan van misschien wel 20 of 25 procent. Dit heeft zonder twijfel enorme effecten op de groei van exporten en het nationaal inkomen. Het ‘gat’ van 25 procentpunten tussen de twee extreme landen, Spanje en Duitsland, kan waarschijnlijk het verschil in economische groei tussen beide landen verklaren.

Het succes van het Noorden en het falen van het Zuiden vormen twee zijden van dezelfde medaille. Duitsland kan de concurrentiekracht zo sterk opvoeren doordat de concurrentiepositie in andere landen (Spanje, Ierland, Griekenland) in het ongerede is geraakt. Het Noorden heeft het Zuiden nodig om te voorkomen dat de euro te sterk wordt. Elke crisis rond landen als Griekenland of Portugal is een (gemengde) zegen. Het leidt tot een afnemend vertrouwen in de euro. Daardoor kan de reëel effectieve wisselkoers van het Noorden zich stabiliseren op een behaaglijk laag niveau. Was de EMU gesplitst in een zuid- en een noordeuro, dan zou het Noorden nooit hebben kunnen profiteren. We danken onze conjuncturele voorspoed aan de malaise van de Griek.

Binnen de EMU bestaat geen mechanisme het evenwicht in termen van concurrentiekracht van de deelnemers te herstellen. De crisis in Griekenland en Spanje helpt een beetje. Ze drukt het prijsniveau aldaar. Toch kan het jaren, zo niet decennia duren voordat dit afdoende is. Jarenlange stagnatie is geen acceptabel draaiboek. De situatie doet denken aan de problemen van Argentinië in 2001, of aan de situatie van de landen die zich in de jaren dertig vastklampten aan de gouden standaard. Zij werden eveneens beloond met jaren van economische stilstand.

We zitten diep in de problemen – niet vanwege morele of andere tekortkomingen van het Zuiden (al moet worden erkend dat Griekenland een verhaal apart is), maar vanwege de logica van de euro, een munt die eenheid moest brengen waar sociaal-politieke systemen onvoldoende naar elkaar waren toegegroeid. Laten we ophouden met elkaar beschuldigen en een scenario bedenken hoe we op een beheerste manier deze problemen het hoofd kunnen bieden – met of zonder de euro.

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dit jaar werd hij door de KNAW benoemd tot Akademiehoogleraar. De bron van het artikel is www.mejudice.nl