Wat je niet zegt

Voordat ik vertrek, moeten we het nog hebben over de olifant in de kamer.

Dus ik klop aan bij de enige persoon die ik voor deze rubriek nooit durfde te vragen: Jacqueline Gartrell. „Principal Gartrell”, op de school van mijn kinderen. Twee koppen kleiner dan ik, negenenvijftig jaar oud, met formidabele ogen en een diepzwarte huid.

De directeur wordt door de minderheid van blanke, welvarende ouders op school traditioneel met argusogen gevolgd. Zij zamelen geld in, doen het meeste vrijwilligerswerk en eigenen zich vervolgens het recht toe op inspraak. Omdat de school in hún wijk staat. Sinds de recessie proberen ze het uiteindelijke vertrek naar een peperdure privéschool – de route van de meeste blanke kinderen – zo lang mogelijk uit te stellen. Met een beetje geluk tot middle school.

Maar de meeste kinderen op school zijn zwart, komen van de andere kant van de stad, leven in armoede of hebben ouders met zware banen en zonder tijd om hun zin door te drijven. Jacqueline Gartrell heeft de wonderlijke gave geliefd te zijn bij iedereen.

Ik krijg gelukkig ook weer een hug. Ons laatste gesprek was niet leuk. Mijn dochter (7) verveelde zich stierlijk, haar lerares wilde haar niet naar een uitdagender groepje overplaatsen, dus na maanden stapte ik toch maar naar het schoolhoofd. „Mijn dochter vervéélt zich zo”, zei ik. „Dan moeten we daar natuurlijk wat aan doen”, had Jacqueline Gartrell geglimlacht. Ik kreeg mijn zin. Maar iets in haar houding maakte me ongemakkelijk.

Om dat te begrijpen hoef je maar in de klassen te kijken. Neem die van mijn zoon (9). De middengroep bestaat uit latino, zwarte, Aziatische en een paar blanke kinderen. Dan zijn er drie luidruchtige, intelligente kinderen met ADHD, die zich volgens hun ouders eveneens vervelen: blank. Er is een olijfkleurig kind met autisme, hij stort soms tijdens de les in. Een zwart kind dat ergens heel boos over is, en die woede moeilijk kan beheersen. En tot slot een groepje begaafde zwarte kinderen. Zij vervelen zich niet, zij hebben al een forse leerachterstand. Ze kwamen tussentijds op school dankzij de No Child Left Behind Act, de wet die bepaalt dat kinderen recht hebben op een betere school, als hun buurtschool hun talenten onvoldoende voedt. Nu zijn de meeste openbare scholen in de armste wijken van de stad zo slecht dat alle kinderen deze kant opgestuurd zouden moeten worden. Maar niet iedereen heeft ouders die de papierwinkel voor een overplaatsing aankunnen.

Er is een meisje bij dat iedere ochtend om vier uur moet opstaan, omdat haar moeder om zes uur haar dienst achter de kassa in deze buurt begint. Ruim een uur reizen van huis. Het meisje hangt daar rond tot acht uur, als ze op onze school terechtkan voor haar gratis ontbijt, en voor onderwijs dat door veel van mijn eigen buurtgenoten te min wordt gevonden. De meeste kinderen hier in Cleveland Park hebben deze school nog nooit van binnen gezien. Die gaan al op hun vierde linea recta naar private school.

Zo’n vijfentwintig kinderen op school hebben recht op gratis schoolmaaltijden, omdat ze thuis nauwelijks te eten krijgen: de zwarte en latino kinderen. En een ongeveer even grote groep zal uiteindelijk net als hun buurtgenootjes naar privéscholen vertrekken – voor 25 à 30 duizend dollar per jaar: de blanke kinderen. Daartussen moet Jacqueline Gartrell laveren.

De olifant staat dus levensgroot in de kamer. Maar je kunt hier beter met een omweg beginnen. Aan de andere kant van Washington, waar Jacqueline Gartrell opgroeide toen de stad nog behoorlijk gesegregeerd was. Haar grootouders waren pachtboeren, sharecroppers die hun gewassen, te véél gewassen, moesten afstaan in ruil voor land. Haar oom heeft daar nog tegen geprotesteerd. Daaraan heeft hij het litteken op zijn wang te danken. Ook haar ouders waren arm, maar zij sleepten hun kinderen wel naar alle monumenten en musea en haalden boeken in huis.

Tijdens de segregatie, zegt ze, waren de openbare scholen van D.C., ook in de zwarte buurten, nog fantastisch. Gesegregeerd Washington was als een schaakbord van witte en zwarte wijken. „Daarbinnen zorgde je voor elkaar en had alles de beste kwaliteit”, zegt Gartrell. „Mochten zwarten niet naar een witte school? Dan zorgden ze dat hun eigen scholen mínstens zo goed waren. Mochten ze niet naar een wit restaurant? Dan openden ze zélf uitstekende restaurants.”

Het einde van de segregatie heeft dat verwaterd. „Mensen konden wonen waar ze wilden, maar ze verloren de bescherming van hun eigen gemeenschap.” Die zochten ze nu in werk, op scholen, of in gangs. Nu zijn de openbare scholen van D.C. de beroerdste van het land. „Segregatie was slecht”, zegt Jacqueline Gartrell, „maar dwong ons wel tot vaardigheden die we gaandeweg zijn kwijtgeraakt. Integratie is daarom zeker niet alleen maar goed.”

Vijf jaar lang gingen mijn kinderen naar deze school. Eerst was er de roze wolk, want de school is buitengewoon cool. Hier zie je een goede vriendin van Michele Obama, brandweermannen, blanke en zwarte lokale politici. En geen schoolfeest zal in de toekomst nog kunnen tippen aan onze block party’s. Toen Obama de verkiezingen won, mepten blank en zwart elkaar, soms tot tranen geroerd, op de schouders. Wij dachten al in de praktijk te brengen waar de nieuwe president voor stond.

Toen de recessie. Een opmerkelijk aantal rijke blanke kinderen met forse gedragsproblemen werd op onze school gedumpt. Nu vonden hun ouders het prijskaartje van particulier onderwijs voor zo’n moeilijk kind toch wat hoog. Toen de komst van twee extra kleuterklassen, die volstroomden met nog meer zwarte kinderen uit de andere kant van de stad, waardoor parkeerproblemen en bijbehorende ergernissen ontstonden. Mijn vrijdagochtenden als vrijwilliger op de stoep, waar wij deze kinderen uit auto’s hielpen zodat hun ouders gemakkelijk door konden naar hun werk. Wat je soms in die auto’s zag. Ouders die zichtbaar tijd namen voor kapsels en kleding en parfums, maar hun kind met een ontbijt van een blikje frisdrank en een zakje Doritos uit de auto wuifden. En hoe ze mij negeerden. Wat verwachtte ik dan? Dankbaarheid?

De klassen werden chaotischer. De leraren werden strenger. Alle nieuwe regels leken ontworpen om kinderen in toom te houden die lastiger waren dan de mijne. En ik stapte minder vaak op zwarte ouders af. Ook zij leken liever iemand op te zoeken die op hen leek.

Jacqueline Gartrell heeft een broer en zus die nu advocaat zijn en nog een zus, die eveneens schoolhoofd werd. Deze zus ging al op haar vijftiende naar college, in Minnesota. Daar kreeg ze een blanke roommate, die doodsbang voor haar was. „Toen mijn dochter ging studeren gebeurde nog hetzelfde. Haar blanke roommate vroeg nog voordat ze kennis konden maken om een andere kamer.”

Nu. Ik haal diep adem.

„Ik zou”, zeg ik, „voor ik terug naar Nederland verhuis, graag voor één keer willen horen wat u werkelijk over witte ouders denkt maar op school nooit hardop zegt.”

„Sure”, zegt zij. Alsof ze niet anders verwachtte. Maar ze zoekt wel even naar woorden.

„Mensen komen hier binnen met een gevoel recht te hebben op dingen…”

Witte mensen?

„Ja. En andere mensen zijn daardoor geïntimideerd…”

Zwarte mensen?

„Ja. En dat zou niet moeten.”

Waarom, vraag ik, blijft dat dan zo’n enorm taboe op school? Waarom doen we allemaal alsof onze neus bloedt?

„Het kost heel wat meer dan een paar ouderavonden, voordat blanke ouders dat willen begrijpen. Daarom praten zwarte mensen er liever niet over.”

Wíllen begrijpen?

„Blanke mensen willen zich nergens schuldig over voelen.”

Jim Crow, zegt ze, dat waren wétten die segregatie mogelijk maakten. Maar toen die werden afgeschaft, betekende dat niet dat de praktijk ophield te bestaan.

„Jij moet dat erkennen. Je moet erkennen hoe geïntimideerd een Afro-Amerikaan zich nog steeds door jou kan voelen.”

Nooit, vertel ik Gartrell, ben ik zelf (blauwogig, groot) zo vaak en nadrukkelijk „Scandinavisch” genoemd als hier. Niet door zwarte Amerikanen overigens, meestal door Joodse buurtgenoten in Cleveland Park. Ik had meer dan eens de indruk dat ook zij, in al hun hartelijkheid, mij er subtiel op wilden wijzen dat mijn uiterlijk hier níet de norm is. „Dat denk ik ook”, glimlacht Gartrell.

„Wij zijn helemaal niet geïntegreerd”, zeg ik.

„Nee”, zegt zij. „We hebben het allemaal zo druk gehad met integreren dat we vergaten dat mensen graag opzoeken wat hun vertrouwd is. En dat is niet noodzakelijk verkeerd. Kijk eens naar onze kinderen.”

Mijn kinderen doen het al veel beter dan ik. In een klas vol zwarte kinderen, want voor hen is dát vertrouwd. Dat hebben ze hier geleerd.

Ik vertel Jacqueline Gartrell over een onvergetelijke passage in de pas verschenen biografie over de moeder van Obama. A Singular Woman, door Janny Scott. Het is 1970. Stanley Ann Dunham woont met ‘Barry’, in Indonesië. Het kind is negen. Op een middag gaan ze bij vrienden lunchen, daarna volgt een wandeling. Barack loopt een eindje voor de volwassenen uit. Plotseling bekogelt een zwerm Indonesische buurtkinderen hem met stenen, terwijl ze racistische scheldwoorden roepen.

Eén van de andere gasten van toen vertelde de biograaf hoe zij, geschokt, had willen ingrijpen. Maar dat mocht niet van Obama’s moeder („Nee, hij is OK. Hij is eraan gewend”). En hoe opmerkelijk onaangedaan Obama inderdaad was, „dancing around as though playing dodge ball with unseen players”. Dit kind was niet te intimideren. Dit kind kon dansen in een regen van stenen.

„Zo zal het vaker gaan”, zei Jacqueline Gartrell. „Maar je moet durven volhouden.”

Dit was de laatste aflevering van 'In Washington'. Na de zomer begint Margriet Oostveen hier een nieuwe rubriek vanuit Nederland.