Voortdurend veranderend Nederland

Geologie Ooit lag Nederland niet aan zee – en kon je van de Rijn naar de Theems wandelen. Dat laat een nieuwe atlas zien.

Michiel van Nieuwstadt

Uitgestrekte zandverstuivingen in de Amerikaanse staat Colorado. Dichte oerbossen in het Poolse Bialowieski Park. Veengebieden in het Finse Patvinsuo. Deze buitenlandse landschappen staan in de Atlas van Nederland in het Holoceen. De platen ogen exotisch. Toch waren de on-Nederlandse landschappen hier algemeen in de periode vanaf het verstrijken van de laatste IJstijd, 11.700 jaar geleden.

In elf paginagrote kaarten, momentopnamen van Nederland die gemiddeld duizend jaar uiteen liggen, schiet de nieuwe Atlas langs landschappen uit de naar geologische begrippen recente geschiedenis. Een kaartje aan het begin van het boek toont dat ons land aan het begin van het Holoceen, het tijdvak vanaf het einde van de laatste IJstijd, nog niet aan zee lag. Van de Rijn kon je naar de Theems wandelen.

Zo tonen redacteuren en kaartenmakers hoe veranderlijk het Nederlandse landschap altijd is geweest. “De enige constante is verandering”, zegt fysisch geograaf Henk Weerts, een van de samenstellers van de atlas.

De atlas laat zien dat een deel van onze kennis over het ontstaan van het Nederlands landschap in de afgelopen decennia achterhaald is geraakt. Het idee bijvoorbeeld dat Nederland sinds het einde van de laatste ijstijden onder invloed stond van een periodiek schommelende zeespiegel.

Nog niet zo heel lang geleden leerden studenten de namen voor de perioden waarin de zeespiegel snel steeg (transgressie) of enigszins daalde (regressie) nog uit het hoofd. Ten onrechte, want de zeespiegelschommelingen bestonden hoogstwaarschijnlijk helemaal niet. Weerts: “In werkelijkheid zie je perioden waarin het ene deel van Nederland verdrinkt, terwijl in een ander deel van Nederland de invloed van de zee juist afneemt.”

Als voorbeeld vergelijkt hij twee overzichtskaarten van Nederland, één uit 1500 voor Christus en één van 500 voor Christus. Een zeearm die 1500 voor Christus langs Bergen, Alkmaar en Hoorn liep, slibde in de tussenliggende periode dicht, niet door een stijging van de zeespiegel, maar doordat zand vanuit de zeebodem voor de kust op het land terecht kwam. “Van het enorme belang van stromingen voor de kust voor de opbouw van het land raken we steeds meer doordrongen”, zegt Weerts. “In de opbouw van onze jonge bodem komt niet meer dan 10 procent voor rekening van sediment dat is aangevoerd door de grote rivieren. De overige 90 procent komt uit zee. Waar het sediment vandaan komt, kunnen we opmaken uit de rivier- of zeeschelpjes die we aantreffen in grondboringen.”

In diezelfde tijd – tussen 1500 en 500 voor Christus dus – wordt Nederland rondom de Maasmonding juist door water overspoeld. Weerts: “Steeds meer grond langs de oevers van de Maas werd gebruikt voor de landbouw. Dat betekende dat er greppels werden gegraven om het land te ontwateren, waardoor de grond langzaam begon in te klinken. De bodem daalde dus. In een dergelijke situatie was één forse storm voldoende om een groot deel van het land onder water te zetten.

Zo overstroomde Nederland ter hoogte van de Maasmonding, terwijl er honderd kilometer naar het noorden juist veel land bijkwam. Weerts: “Dé stijging van de Nederlandse zeespiegel bestaat niet.”

Zelfs het effect van het wegsmelten van de ijskappen varieert enorm, afhankelijk van de precieze plaats binnen onze landsgrenzen. Vreemd genoeg daalt de Nederlandse bodem door het wegsmelten van deze noordelijk gelegen zware ijskappen. Dat komt doordat ons land ligt op een rand van het toenmalige ijskappengebied boven Scandinavië en Schotland, dat door het verdwijnen van de zware ijskappen inderdaad omhoogkomt. Dat randgebied – waar Nederland deel van uitmaakt – was in de ijstijden opgestuwd en veert nog altijd omlaag. In het noorden van Nederland daalde de bodem daardoor sinds het einde van de laatste IJstijd meer dan 30 meter, in Zeeland niet meer dan 25 meter.

Grondboringen

Een scala aan nieuwe data uit de laatste tien, twintig jaar maakte het mogelijk om lokale bodembewegingen – en de oorzaken ervan – in één grote atlas bijeen te brengen. Vele archeologische opgravingen – door ratificering van het Verdrag van Valetta in Nederland bij nieuwbouw en aanleg van wegen verplicht – hebben ervoor gezorgd dat er meer oog is gekomen voor de invloed van de mens op het landschap, zelfs ook voor het begin van onze jaartelling.

Tienduizenden grondboringen uit het hele land bieden referentiepunten. Weerts: “Dankzij die grondboringen weten we tegenwoordig precies op welke diepte de bovenste afzettingen liggen uit het Pleistoceen, het einde van de ijstijden en dus het begin van het Holoceen. Daarbij heeft geholpen dat veel grondboringen in Nederland zijn gecombineerd in een centrale databank.” Al met al schetst de Atlas van Nederland in het Holoceen een beeld van majeure geologische transformaties die zich in de afgelopen tienduizend jaar binnen onze landsgrenzen hebben voltrokken. “Al die grootschalige veranderingen zijn niets nieuws”, zegt Weerts. “Ons land heeft zich er in het verleden op aangepast en dat zal ook in de toekomst gebeuren. Daarvoor hebben we in Nederland ruimschoots voldoende technologie en kennis in huis.”

Jos Bazelmans, Henk Weerts, Michiel van der Meulen en Peter Vos: ‘Atlas van Nederland in het Holoceen’. Uitgeverij Prometheus, 96 blz., € 24.95