Vliegende ogen en oren

Technologie Oorlogsvliegtuigen gooien niet meer alleen bommen. Ze maken ook opnamen van vijandelijk gebied en dringen communicatiesystemen binnen.

Menno Steketee

‘Dit is maar bijvangst”, zegt detachementcommandant overste Johan van Deventer in het provisorisch ingerichte hoofdkwartier op de luchtmachtbasis Decimomannu op Sardinië. De ‘detco’ van de zes F-16’s van de Koninklijke Luchtmacht die vanaf de basis dagelijks missies boven Libië vliegen, tikt met een potlood op het beeldscherm van de laptop. De zwart-witte videofilmpjes laten Libische MiG-25’s zien, onderscheppingjagers van Russisch ontwerp. Ze luisteren naar de NAVO-codenaam Foxbat en zijn met hun snelheid van driemaal die van het geluid sneller dan welk NAVO-toestel ook. Maar nu staan ze werkeloos geparkeerd op een vliegbasis buiten de hoofdstad Tripoli. Een eindje verderop staan Mi-8 transporthelikopters, die luisteren naar de NAVO-roepnaam Hip, al even werkeloos met gedemonteerde rotorbladen. Inzoomen kan ook, op anonieme, maar niet minder verdachte trucks op industrieterrein, grenzend aan de bevroren vliegbasis.

De beelden zijn geschoten door de Advanced Targeting Pod, (ATP), een soort draaibare superverrekijker, die is opgehangen onder de luchtinlaat van de F-16. De vliegers kunnen er dag en nacht van tientallen kilometers afstand doelen mee identificeren, desnoods vliegende. De ATP, die sinds twee jaar in dienst is, kan doelen aanwijzen met een laser, waarna een lasergeleid projectiel in de richting van de weerkaatsing van die laser suist. Die precisiegeleide bom kan door dezelfde jachtbommenwerper worden afgeworpen, maar ook door een ander gevechtsvliegtuig dat dezelfde laservlek kan zien.

De Nederlandse F-16’s missen het mandaat om te bombarderen. Maar, zegt Van Deventer: “Er is niets tegen om de ATP aan te zetten als we toch boven Libië vliegen om het vliegverbod te handhaven.” En om die beelden “maar bijvangst” te noemen, is valse bescheidenheid.

Dit soort sensoren en de mogelijkheid om de verzamelde data over een netwerk heen en weer te flitsen en met anderen te delen, vormen de kern van een snelle ontwikkeling die alle NAVO-luchtmachten doormaken. Die ‘ogen en oren’, opgehangen aan bemande en onbemande vliegtuigen, spelen een steeds belangrijker rol bij operaties. Precies weten waar de tegenstander zich ophoudt en wat hij doet, vergroot de kans op militair succes. Intimiderend werkt het zeker: die Foxbats en Hips verroeren zich nauwelijks.

De Nederlandse vliegers kunnen wat ze zien met de ATP, maar ook wat ze met hun boordradar waarnemen, doorgeven via het datanetwerk Link-16. Dit web wisselt snel tactische gegevens uit tussen bijvoorbeeld de AWACS, vliegende radarposten, van de NAVO die dag en nacht het Libische luchtruim in de gaten houden en gevechtstoestellen. Die zijn dan naar hun patrouillegebied boven Libië te dirigeren, of naar een tank van regeringsgetrouwe troepen in een buitenwijk van Misurata. Maar ook het Franse helikoptervliegdekschip Tonnerre dat voor de Libische kust koerst, de Italiaanse Tornado bommenwerpers en de Amerikaanse Rivet Joint elektronische snuffelvliegtuigen, die alles wat zendt op de meter nauwkeurig in kaart brengen, kunnen hun vinger in de gegevensstroom houden.

Link-16 vergroot voor de F-16-vliegers, en voor iedereen die meekijkt, het overzicht over hun tactische omgeving. Van de zes F-16’s op Sardinië zijn er twee zo gemoderniseerd dat ze ATP-beelden ook met elkaar kunnen uitwisselen, of met militairen op de grond. “Op afstand denk je: wat verschrikkelijk veel extra informatie voor die arme vlieger”, zegt F-16-vlieger majoor Olivier – veiligheidsoverwegingen staan het noemen van achternamen niet toe – “maar wij denken juist: fijn dat we nóg beter weten wat de anderen doen. Wij zien via onze radar in de cockpit maar een heel klein stukje van de wereld. Via Link-16 zie ik oneindig veel meer.”

Grens aan bombarderen

Het zijn datanetwerken zoals dit Link-16 die luchtoffensieven tot een organisch ‘systeem van systemen’ maken. Er bestaat veel discussie over de wenselijkheid van de inzet van luchtwapens, bijvoorbeeld met het oog op burgerslachtoffers of het nut ervan bij guerrillaoorlogen. Maar die betere en snellere informatievoorziening die door die ‘ogen en oren’ mogelijk is gemaakt, heeft luchtoperaties zeker efficiënter gemaakt.

Het is een veel gebruikt voorbeeld: in de Tweede Wereldoorlog waren duizenden sorties, vluchten, van Amerikaanse B-17 bommenwerpers nodig om zekerheid te hebben dat een doel ook was vernietigd. Militaire doelen als fabrieken, werven en kazernes waren heel moeilijk te raken. Britse bommenwerpers mochten op een kwaad moment alleen nog maar proberen in bezet Europa rangeerterreinen te bombarderen: die waren vele vierkante kilometers groot, dus lastig te missen, en die konden nog worden aangemerkt als doel met enige militaire waarde. Al werden ze wel weer snel gerepareerd door dwangarbeiders.

Tijdens de oorlog in Vietnam volstonden nog maar honderd sorties. In 1991, tijdens de Eerste Golfoorlog, kwam de omslag: één sortie, één doel zeker vernietigd. Tijdens de operaties boven Irak in 2003 was de kentering compleet. Gevechtsvliegtuigen vlogen toen van doel naar doel en vernietigden die stuk voor stuk.

Dat het aantal sorties dat NAVO-gevechtsvliegtuigen boven bijvoorbeeld Afghanistan én Libië in vergelijking met eerdere luchtoperaties relatief gering is, lijkt dus een overwinning voor het luchtwapen. Het per vliegtuig goed gemikt stukken metaal op doelen gooien, zoals bommenwerpen kan worden samengevat, is zo efficiënt geworden dat de doellijst snel korter wordt. Sommige doelen hoeven zelfs niet eens te worden aangevallen – zie die geparkeerde Foxbats en Hips: die zouden toch worden neergeschoten zodra ze het luchtruim kiezen.

Er is wel, in ieder geval in Irak en Afghanistan, een grens aan wat je met bombarderen kunt bereiken – de Talibaan wekken althans niet de indruk verslagen te zijn. Toch is het plafond aan het aantal toepassingen van de vliegende ogen en oren allesbehalve in zicht. Kijk maar naar datzelfde Afghanistan.

Vliegende zintuigen

In Afghanistan en Irak is het gevaar van bermbommen – verreweg de meeste slachtoffers aan Amerikaanse en NAVO-zijde vielen door deze geïmproviseerde explosieven – aanzienlijk verminderd met behulp van de vliegende zintuigen. De opruimingsdienst richtte zich in eerste instantie op het detecteren en onschadelijk maken van de springstoffen en ontstekers zélf. Maar de bommenmakers bleken te inventief en de metaaldetectors en andere opsporingsmiddelen gaven te veel valse meldingen.

De Amerikaanse Task Force ODIN (Observe, Detect, Identify and Neutralize) pakte het probleem in Irak vanaf 2006 anders aan. In dat jaar was de taakgroep nog ultrageheim, maar intussen is meer wereldkundig gemaakt over de methodes en de technologie en is de taakgroep uitgebreid en in zijn geheel naar Afghanistan overgevlogen.

Richard Wittstruck, een van de bedenkers van ODIN, zei afgelopen maart in de Amerikaanse landmachtkrant dat ze zich richten op de hele keten die leidt van financiering van de springstof tot de rekrutering van de leggers. “Je wilt zo ver mogelijk terug vóór de boem!”, aldus Wittstruck.

Sensoren in de lucht spelen een hoofdrol. ODIN stroopte met speciaal aangeschafte Beech King Air-zakenvliegtuigjes en met onbemande verkenningsvliegtuigen, zoals de Predator, de ether af op verdacht mobiel telefoonverkeer. Een andere effectieve tactiek was het vaststellen van ‘levenspatronen’ van de bevolking. Een reeks oren en ogen brengen daarbij alle gedragingen van de bevolking in kaart, 24 uur per dag, over het gehele elektromagnetische spectrum.

Uit de datazee die dat oplevert kan nuttige informatie opborrelen. Hoe dat precies in zijn werk gaat, is om voor de hand liggende redenen geheim. Maar een voorbeeld is eenvoudig te geven. Wanneer de bevolking op marktdag altijd via pad A naar de stad loopt en op zekere dag pad B gebruikt, is dat een indicatie dat er iets op de eerste route niet pluis is. Met deze aanwijzingen kunnen konvooien worden omgeleid en een patrouille te voet op zoek gaan naar een verborgen bom. Het is vaak zelfs mogelijk om eerder opgenomen video-opnames van het gebied opnieuw af te spelen.

Tijdens de conflicten op de Balkan in de jaren negentig hingen Amerikaanse JSTARS-surveillancevliegtuigen boven Kroatië die individuele auto’s op het wegennet van Servië volgden. Dat deden ze met een speciale radar, een zogenoemde Moving Target Indicator (MTI). Tijdens zo’n vlucht bleek toen dat wegverkeer van dagen achtereen was terug te zien. Die MTI’s zijn intussen geminiaturiseerd én spectaculair nauwkeurig geworden. Zo brengt de Amerikaanse defensieonderneming Northrop Grumman een Dismounted Moving Target Indicator op de markt die individuele personen in de gaten kan houden – dismounted troops, strijders die zijn uitgestapt om bijvoorbeeld een bermbom te leggen. Die kunnen dus gevolgd worden naar hun schuilplaatsen of de plek waar ze vandaan kwamen. Als er een bermbom is ontploft, kan de ‘video’ dus worden teruggespoeld om te zien waar de bommenleggers vandaan kwamen.

De continuïteit van de waarnemingen is daarbij van belang. Dat was voor het Pentagon een reden om in Afghanistan tientallen aerostats, een soort luchtballonnen aan een ankerlijn, hoog boven strategische plekken te laten zweven. Ze hingen vol met sensoren die op papier maandenlang ononderbroken opnames kunnen maken. Ook de Nederlandse F-16’s die al jaren boven Afghanistan vliegen, vervullen een, bescheiden, ‘ODIN-achtige’ rol. Het zogeheten RecceLite verkenningssysteem tast met een sensor de grond af: verstoring kan op een begraven explosief wijzen.

Bommen gooien de F-16’s en de coalitie-vliegtuigen dus niet zo vaak meer af als eerst. Maar het emplooi voor sensoren zoals die RecceLite en de ATP groeit alleen maar. De Nederlandse F-16’s die boven Libië vliegen nemen hun ATP’s gewoon mee, omdat het kan, bij hun hoofdtaak om een stuk Libisch luchtruim leeg te houden. Maar boven Afghanistan worden gevechtsvliegtuigen er wel steeds vaker op uit gestuurd om alleen maar als sensorplatform dienst te doen. Dit komt zo vaak voor, dat er zelfs een officiële militaire term voor is uitgevonden: Non Traditional Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (NTISR).

Het gebruik van vliegende ogen en oren gaat dus vooral over goed politiewerk, niet over het afwerpen van precisiegeleide wapens. Niet dat nauwkeurige sensoren, welke dan ook, de inzet van wapens, de ‘kinetische aanpak’, overbodig maken – politie is ook bewapend. En het betekent evenmin dat het gevaar van de bermbommen tot het verleden behoort. Nog iedere week maken ze slachtoffers.

Psychologische strijd

De vliegende sensoren maken ook bijna letterlijk een metamorfose door tot wapen. Een nieuw type radar, de active, electronically scanned array (AESA), kan niet alleen nauwkeurig vliegende doelen opsporen. Maar deze is ook geschikt om schadelijke software te implanteren in vijandelijke communicatieapparatuur en andere elektronica waarop een moderne krijgsmacht drijft. Wie de luchtverdediging van een land kan lamleggen, heeft vrij spel in het betreffende luchtruim.

Eén van de vliegtuigtypes die met die AESA zijn uitgerust is de EA-18G Growler, een versie van de Super Hornet jachtbommenwerper die vliegt vanaf vliegdekschepen. In de begindagen van het luchtoffensief tegen Ghadaffi stond een handvol Growlers gestationeerd op de Italiaanse vliegbasis Aviano.

De mogelijkheid om met zulke vliegtuigen vijandelijke netwerken op slot te doen, of om de gebruikers op het verkeerde been te zetten, doet het onderscheid tussen ‘kinetisch luchtoffensief’, cyberaanval en psychologische oorlogvoering vervagen. De boodschap op het beeldscherm van een gehackte computer in een bunker – of een simpel smsje – “je hebt een minuut om je uit de voeten te maken” verwoest het moreel van de vijand. En burgerslachtoffers vallen er niet bij.

Of de Growler malware heeft achtergelaten in de Libische elektronica is onbekend, maar waarschijnlijk is dat wel. Al in 2003 overwoog het Pentagon om de luchtverdediging van het Irak van Saddam Hoessein lam te leggen met virussen. Dat dit niet gebeurde, illustreert meteen dat aan de cybertactieken ook haken en ogen zitten. Een deel van het Iraakse netwerk bestond uit Franse elektronica. En, zoals een Amerikaanse generaal zei, geciteerd door een onderzoeker van het Amerikaanse Hudson Institute: “We waren bang dat we [met cyberaanvallen] meteen alle pinautomaten in Parijs buiten bedrijf zouden stellen.”