Vermorzeldrift

Jet Berkhout zoekt haar grenzen op. Deze week hanteert ze de sloophamer.

De sloophamer is zwaarder dan ik dacht. Voorzichtig til ik hem op en richt hem op de witgeverfde muur. Misschien is het bespottelijk. We hebben net twintig handtekeningen gezet onder hypotheekaktes, koopovereenkomsten en verzekeringen die er allemaal vanuit gaan dat we failliet, uit elkaar of dood gaan en nu maken we het huis, op de eerste dag dat we het bezitten, al kapot. Maar net als een veld vol vers gevallen sneeuw waarin nog geen spoor is gelopen, is de volmaakte witte muur onweerstaanbaar. Ik richt mijn armen op.

De zolderverdieping is een miniatuurdorp. Veertig vierkante meter, verdeeld in zes kamertjes en een bochtig gangetje. De kleinste ruimtes hebben het formaat van een wasmachine, in de grotere kon waarschijnlijk net een student slapen. Van de zes kamers willen we er drie maken. Ik trappel al weken. „Scheet, dat slopen kan nog vies tegenvallen.” Mijn oom is aannemer. We trekken ons er niets van aan.

De branie waarmee ik de moker tegen de wand sla, in de hoop dat hij in een klap tegen de vlakte slaat, is wat misplaatst. In de muur verschijnt, bijna schamper, een knullig deukje. Met koffie in plastic bekertjes en appeltaart op een servetje kijken vrienden en familieleden toe. Zij willen zo ook wel even. Ik zet meer kracht. Probeer in een vast ritme te meppen. Het bonken van de hamer weergalmt in de kleine holle kamertjes. Horizontale scheuren tekenen de wand. Dan, eindelijk, geeft de muur mee. Met veel misbaar dreunen de blokken op de houten vloer. De blokken zijn van gasbeton, met aan beide zijden een dikke laag pleisterwerk. Een soort bruidstaart van luchtige, goedkope cake, met rondom marsepein. Bij elke klap trillen de ramen in hun rotte sponninkjes.

„Dingen vernielen is ook een vorm van creativiteit”, zei onze meester vroeger, als vandalen het bushokje voor het schoolplein in elkaar hadden getrapt. Maar in vernieling zit ook het genot van verbod. En het afreageren van onvermoede agressie.

Dan zie ik plotseling hoe het ooit zal worden. Door het gat in de muur komt de zon van de andere kant naar binnen. Dit wordt een ruime kamer met heel andere hoeken, met een heel andere sfeer. Vroeger aan zee, als ik een poort in een zandkasteel groef en mijn vingers eindelijk de lucht voelden, dan schraapte ik heel voorzichtig, korrel voor korrel de opening groter. Nu ontwaakt echter lompe vermorzeldrift. Het gat moet groter. Alles moet stuk. Ik duik weg voor de vallende blokken en het neerstortende gruis.

„Nu ik.” Mijn vriend neemt de hamer over. Na een paar keer hameren trapt hij met zijn schoen een halve meter muur weg. Daarna willen alle ouders, alle broers en zussen, alle vrienden. Mijn vader die in zijn nette overhemd, tja, een nieuwe van de Bijenkorf zegt mijn moeder, bewijst hoe hard hij kan slaan. Het broertje van mijn vriend, die nog harder kan. Alle haren worden grijs van het gruis, zweet druppelt over onze ruggen, onze bovenarmen branden. Alle zachte handen, zonder eelt, vertonen rode wondjes, brokkelende nagelriemen, krasjes op de nagels. Op alle bekertjes koffie drijft een wit laagje poederstof.

Dan zijn alle muren weg en wil iedereen wijn. De sloophamer rust uit in de hoek van wat ooit een studentenkamer was. Beneden openen we zakken chips.

„Slopen is het werk niet”, zei mijn oom. „Dat wil iedereen wel. Puinruimen, dat is het echte werk.”

’s Avonds, als alle plastic bekertjes weg zijn, loop ik naar boven. Aan de randen waar vanmiddag nog muren stonden, hangen restjes steen, als scherpe, rotte tanden in een ontstoken gebit. De planken vloer is bedolven onder een grote berg rotsen. De zolder zou ook een fragment uit een gebombardeerde Oostblok-stad kunnen zijn. Ik tel hoeveel vuilniszakken we bij onze nieuwe supermarkt moeten kopen. Hoeveel koffiepauzes er komen. Door de kleine raampjes strijkt de avondzon in een parallelle baan naar binnen. Dikke en dunne stofdeeltjes dansen uitgelaten in het rond.