Uit het flesje? Schande!

De rubriek Intussen in Den Haag beschrijft elke zaterdag de achterkant van het politieke bedrijf. Deze week: de onhebbelijkheden van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet.

Een niet nader te noemen bewindspersoon (die zich al twee weken met komkommers bezighoudt) bekende ooit ongenadig van de Kamervoorzitter op zijn donder te hebben gehad. De reden? Hij droeg geen (strop)das. Sindsdien heeft de staatssecretaris altijd een exemplaar bij zich, in zijn loodgieterstas. Demonstratief knoopt hij het ding om – bij voorkeur vlak voor een debat begint.

Gerdi Verbeet (PvdA) schept er als Kamervoorzitter zichtbaar genoegen in Kamerleden én leden van het kabinet op hun plaats te zetten. Drinkt een bewindspersoon niet uit een glas, maar uit het flesje? Schande! Een reprimande volgt. Meestal in een venijnig briefje, dat de bode in vak K, waar het kabinet zit, bezorgt. Zo mogelijk subtiel.

Maar Verbeet geeft ook openlijke uitbranders. Zoals vorige week, tijdens de vaststelling van de Kamer-agenda. Tweede Kamerlid Renske Leijten keek al getergd toen ze achter het spreekgestoelte plaatsnam. Ze was boos op de voorzitter, en niet zo’n beetje ook. Waarom, vroeg de SP’er, had Verbeet een dag eerder geweigerd een spoeddebat in te plannen over de bezuinigingen in de zorg? De „grootst mogelijke minderheid” van 74 Kamerleden had daar immers op aangedrongen. Leijten zuchtte diep.

Verbeet daarentegen begon opgewekt en belerend uit te leggen hoe ze tot haar beslissing was gekomen. Als de Kamer over de planning van debatten zou gaan, was het einde zoek, hield ze Leijten voor. En dit onderwerp was écht niet urgent genoeg. Bovendien lag er nog geen officieel stuk van het kabinet.

Ineens stokte Verbeet.

Schoolmeesterachtig: „Als u nou de andere kant op gaat staan kijken..?” Nee, nee, zei Leijten, „ik luister. Maar ik constateer...”

Verbeet, bits: „Ik was nog niet uitgesproken!”

Het Kamerlid droop af. Verbeet keek triomfantelijk om zich heen voor ze door ging met het volgende agendapunt.

„Heel irritant”, beaamde Leijten naderhand. „Maar het is niet handig om ruzie te maken met de voorzitter. Uiteindelijk heeft ze toch heel veel macht.”

In de wandelgangen verzuchten ‘slachtoffers’ van Verbeet dat ze wel érg streng is. Buiten debatten is ze „een schat van een mens, hoor”, maar zodra ze op de voorzittersstoel plaatsneemt, verandert ze in een onverbiddelijke, betweterige en bij vlagen zelfzuchtige scheidsrechter. Goed voor het aanzien van het parlement, wellicht, maar minder bevorderlijk voor de onderlinge verhoudingen.

Wie haar bezig ziet, kan niet anders dan vermoeden dat Verbeet de grenzen van haar machtspositie opzoekt. Of daar overheen gaat. En daar behoorlijk van geniet.

Barbara Rijlaarsdam