Taugé? - Nee hoor, die koop ik nooit

Merkt de groenteman iets van EHEC-paniek? „Mensen koken niet meer zelf.”

Beethovenstraat, Van Baerlestraat, Eerste Constantijn Huygensstraat. Doodstil is het hier nog om half zeven in de ochtend – gisterochtend. De zon is een uur op en Jan Ensink (52) rijdt in zes minuten in zijn donkerblauwe Fiat bestelwagentje naar de markthallen in de Jan van Galenstraat, Amsterdam.

Hij is groenteman. Hij gaat zijn inkopen doen voor vandaag. En wij zijn mee om te kijken of er iets te merken valt van EHEC-paniek. Uit zichzelf zegt hij er niets over. Maar hij zegt sowieso niet zoveel, alleen dingen als ‘mensen koken niet meer zelf’ en ‘wij zijn een uitstervende soort’.

Een lange, slanke man met de snelle, doelgerichte bewegingen van de routinier. Jan Ensink gaat al dertig jaar elke ochtend naar de markthallen en hij weet precies bij welke grossiers hij zijn moet. Eerste stop: de firma Vroegop-Windig. Zes doosjes van een kilo Franse Amandine-aardappeltjes koopt hij en twee bosjes waterkers. De dozen met taugé en alfalfa – parelmoerwit, zachtpaars – loopt hij voorbij.

Met opzet?

„Nee hoor”, zegt hij. „Die koop ik nooit. Mijn klanten vragen er niet naar en ik ga het niet aanbieden. Veel te bederfelijk.”

Bij de firma Schönhage – tweede stop – koopt hij verse kapucijners en doperwten, haricots verts en zacht zomerfruit, veel zacht zomerfruit. Aardbeien, kersen, frambozen, allemaal groot en glanzend, eerste kwaliteit, want waarom zouden zijn klanten anders nog naar hem toe komen? En hij koopt tomaten. Geen komkommers.

Met opzet?

„Mwah”, zegt hij. „Komkommers verkoop ik op het moment iets minder.”

Op het prikbord naast het koffiezetapparaat hangt een brief van Koppert Cress BV, producent van ‘microgroenten’. Denk aan Affilla, Atsina, Ghoa, Sakura, Sechuan – alles wat maar kan spruiten en allemaal ‘officieel EHEC-vrij’ na testen van de Voedsel en Waren Autoriteit. ‘Geen verrassing’, meldt de brief. ‘Wel een opluchting.’

Hoe denkt de handelaar van de firma Schönhage over de EHEC-bacterie? Hij koopt zijn handel op de veiling. Hij rijdt alle dagen langs de kwekerijen.

„Een ramp”, zegt hij.

Hij spreidt zijn armen zo wijd als hij maar kan om aan te geven hoe ongelóóflijk veel pallets met onverkoopbare tomaten en komkommers hij de afgelopen nacht weer heeft gezien. En dan alle vrachtwagens die nu stil blijven staan omdat er niets te vervoeren valt.

Hij begint op te sommen – zoveel kilo in een kist, zoveel kisten op een pallet – maar hij raakt al snel de tel kwijt. Doet er ook niet toe. Voor de kwekers is het een verloren zaak. „Miljoenen kost het ze. Miljóénen.” Maar voor de verkoopprijs van zijn tomaten maakt het weinig uit. Ook al betaalt hij er nu bijna niets voor, hij moet ze vervoeren en hij moet ze opslaan. En dat kost ook geld.

We zeggen dat het Hauptgesundheitsamt in het Duitse Bremen eerst nog even heeft gedacht dat de EHEC-besmetting van asperges kwam, asperges met sauce hollandaise light van Knorr.

„Aha”, zegt de handelaar. „Verbaast me niks. Duitsers eten drie kilo asperges de man per jaar en ze moesten toch wat bedenken.” Hij kijkt naar Jan Ensink en vertelt dat hij laatst in Duitsland twintig kilometer lang alleen maar langs aspergevelden reed. „Twíntig kilometer. Ze verkopen daar hun asperges voor twee euro de kilo.”

„Twéé euro”, zegt Jan Ensink. Hij hapt naar adem. Hij verkoopt asperges voor zes euro – per pond. Ongeschild. Asperges geschild verkoppen, dat doet hij liever niet. „Veel te bederfelijk.”

Zijn laatste stop is bij De Kweker, een enorme groothandelsupermarkt. Hij rent er doorheen en pakt hier drie potten Belgische mayonaise, daar drie potten vlierbessenjam en weer wat verderop zes dozen tagliatelle van Cypriani. Alles wat Albert Heijn niet verkoopt en waarvoor zijn klanten nog naar hem toe willen komen. „Ik moet me onderscheiden”, zegt hij. „Maar dat moet ik al dertig jaar.”

Eerste Constantijn Huygensstraat, Van Baerlestraat, Beethovenstraat. Het is acht uur en Jan Ensink doet er nu bijna een kwartier over. Hoe is hij groenteman geworden? „Ik had mijn vwo gedaan”, zegt hij. „Ik studeerde economie aan de Vrije Universiteit. En ik werkte bij Kamman.” Zo heet zijn groentewinkel, naar de vorige eigenaar. En toen? „Toen ging mijn baas met pensioen en heb ik de zaak overgenomen.”

Hij was op zijn zestiende wees. Hij moest geld verdienen.

Spijt?

„Helemaal niet.”

Maar zijn zoons, 20 en 15 jaar, zullen de zaak niet voortzetten. Personeel heeft hij al in geen jaren meer.

Zorgen?

„Helemaal niet.”

Hij heeft een keurig belegde boterham en van die EHEC-bacterie verwacht hij hooguit tijdelijk wat effect. „Een paar jaar geleden was het vlees, vandaag is het groente en morgen is het melk.” Waait wel weer over. Zo kijkt hij. En mensen moeten toch eten.

Om vijf voor negen schuift hij zijn raam open – de hele voorgevel van zijn zaak – en begint hij zijn waren uit te stallen. „De show kan beginnen.” De tijd dat de eerste huisvrouwen al om acht uur voor zijn neus stonden, ligt ver achter hem. Maar vanaf half tien komen de klanten binnen, type weekendkok, en kopen ze hun bosje basilicum, hun bakje huisgemaakte frambozensaus, hun halve pondje kersen. En niemand, helemaal níemand die het over de EHEC-bacterie heeft.