Slagers in de polder, polderende slagers

Premier Rutte presenteerde vrijdag op soepele toon harde bezuinigingen. Maakt dat de ministers tot slagers die lak hebben aan het poldermodel? Dat valt wel mee. En ze hebben het maatschappelijk tij mee. De geesten zijn allang rijp gemaakt voor bezuinigingen.

Afbreken van beschaving, hakken, slopen met een botte bijl – vertrouwde woorden van verontwaardiging echoden donderdagavond door de vergaderzaal van de Tweede Kamer. PvdA-fractievoorzitter Job Cohen, SP-leider Roemer, GroenLinks-aanvoerder Jolande Sap, stuk voor stuk kwamen ze met een Maartje, een Bart of een Han die zwaar getroffen zou worden door de bezuinigingsplannen van het kabinet. Schijnbaar onbewogen hoorde premier Rutte het aan. „Dit kabinet stelt zich ten doel om Nederland sterker te maken”, zei hij. Daarvoor waren maatregelen nodig. En natuurlijk was er oog voor de meest kwetsbaren.

Zonder resultaat droop de oppositie na ruim drie uur debat af. Rutte kon zich gaan voorbereiden op de wekelijkse vergadering van de ministerraad, de volgende dag. Gistermiddag ontvouwde hij de jongste besluiten. Nieuwe bezuinigingen: minder voorzieningen in het basispakket van de ziektekostenverzekering en een forse vermindering van de cultuursubsidies. Aan de kortingen op de publieke omroep was het kabinet deze week niet toegekomen.

De kunstensector zal het kabinet hebben beschouwd als slagers die de confrontatie zoeken. Maar Nederland zag gisteren ook een manifestatie van het oude poldermodel in optima forma. Na ruim een jaar onderhandelen sloten werknemers, werkgevers en kabinet een verstrekkend en veelomvattend akkoord over het toekomstige pensioenstelsel.

Die twee uitersten begrenzen het politiek complexe krachtenveld waarin het kabinet-Rutte op wisselende meerderheden moet steunen. Omzichtig hervormen in de electoraal explosieve oudedagsvoorzieningen wordt afgewisseld met rigoureus snoeien – met bijbehorende retoriek – in cultuursubsidies en ontwikkelingssamenwerking.

Er gaat geen week voorbij of het kabinet kondigt een nieuwe bezuinigingsmaatregel aan. De gedupeerden protesteren plichtsgetrouw. De kunstsector tegen bezuinigingen op de kunsten, studenten tegen bezuinigingen op onderwijs, buschauffeurs tegen bezuinigingen op openbaar vervoer. Dit kabinet werkt aan een historisch ongekende bezuinigingsoperatie, maar waar blijft het brede maatschappelijk verzet?

„Het kan heel goed stilte voor de storm zijn”, zegt Paul de Beer, hoogleraar arbeidsverhoudingen. „Ik geloof namelijk niet in een afnemende actiebereidheid. De grote gevolgen van de bezuinigingen moeten nog zichtbaar worden. Van al die banen die verdwijnen bij de overheid is nog niet duidelijk wie de slachtoffers zijn. In 2004 kregen de bonden het Museumplein vol met werknemers die tegen de wijzigingen van vut en prepensioen protesteerden. Dat was de grootste door de vakbonden georganiseerde demonstratie sinds de Tweede Wereldoorlog.”

Eerder deze week aan het Binnenhof in Den Haag: weerzien in de Eerste Kamer. De nieuw gekozen senaat, waar de komende jaren echt elke stem telt, wordt beëdigd. Veel bekenden uit de politiek van weleer maken hun rentree. Vaak wat grijzer, strammer ook, maar vast van plan er iets van te maken. CDA’er Elco Brinkman, in 1982 barstend van dadendrang om als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de stroperigheid van Nederland aan te pakken. VVD’er Frank de Grave, in 1982 aanstormend liberaal talent dat zich als pas gekozen Tweede Kamerlid stortte op belastinghervorming. En CDA’er Gerrit Terpsta, begin jaren 80 bestuurder van de christelijke vakcentrale CNV die te hoop liep tegen het no-nonsense bezuinigingsbeleid van het kabinet-Lubbers.

Als leden van de Eerste Kamer en van een coalitiepartij moeten ze de komende tijd over diverse bezuinigingsvoorstellen van het kabinet-Rutte oordelen. Ze hebben het in de jaren 80 allemaal op hun manier meegemaakt. De woede, de onrust, de verontwaardiging. De sfeer is anders nu, erkent Brinkman. Hoe dat komt? Hij kan slechts gissen. „We zijn met zijn allen natuurlijk wel een stuk rijker dan toen. En in de jaren 80 was het de eerste grote bezuinigingsoperatie. Het was toen ook meer een ideologisch debat over de omvang van de verzorgingsstaat. De huidige crisis is meer iets dat ons van buitenaf is overkomen.”

Frank de Grave, die begin jaren 80 ook in de Amsterdamse gemeenteraad zat, herinnert zich nog hoe de protesterende brandweer van de hoofdstad „de ramen uit de raadszaal spoot”. Nu signaleert hij „een veel grotere mate van acceptatie” in de samenleving, hoewel het protest in de jaren 80 ook niet moet worden overdreven. „Na de draconische ingrepen van toen, bleef de coalitie bij de verkiezingen met gemak in het zadel.” Hét verschil met toen is de veel grotere middenklasse waarover Nederland nu beschikt, meent hij. „Die voelt zich het minst bedreigd, maar heeft wel zorg over de toekomst, zoals de pensioenen. Dat is ook de zorg van het kabinet.”

Oud-vakbondsbestuurder Terpstra verklaart de betrekkelijke rust uit de afgenomen macht van de versplinterde vakbeweging. „Toen gold er één cao voor alle ambtenaren. Die konden met z’n allen een vuist maken. Maar kort daarna is de overheid verdeeld in diverse sectoren met allemaal eigen regelingen.”

De solidariteit die ooit bij vuilnismannen, brandweerlieden en buschauffeurs was ingebakken, is daarmee ook minder geworden. „Wij rijden gewoon door tot het eindpunt”, zeiden de chauffeurs van Connexxion en Arriva deze week. De toegewijde werknemers stuurden hun bussen de Amsterdamse binnenstad in. Het stadvervoer mocht staken, de streekvervoerders deden dat niet.

Drie jaar geleden was het precies andersom. Terwijl het streekvervoer wekenlang niet of nauwelijks functioneerde, omdat de chauffeurs een hoger loon wilden, draaiden de werknemers van het Amsterdamse GVB plichtsgetrouw hun diensten. Zij hadden immers een andere cao.

Dinsdag staakten de stadsvervoerders van Amsterdam wegens de bezuinigingsplannen van het kabinet, woensdag hun collega’s in Den Haag, donderdag die in Rotterdam. Het is volgens Paul de Beer geen toeval dat onder hen de eerste onrust ontstaat. „In het openbaar vervoer wordt traditioneel veel gestaakt. Ook doordat het direct zichtbaar is. Het is een mediagenieke sector, zeg maar. Het levert mooie beelden op voor televisie. Als ze gaan staken op een departement, valt het niet op. Dat is direct ook het gevaar ervan: het zou de critici bevestigen in hun overtuiging dat die ambtenaren overbodig zijn. Het is nóg moeilijker om consumenten te mobiliseren. Die opereren individueel. Je hebt organiserend vermogen nodig. Daarom zie je altijd dat bij grote bedrijven meer gestaakt wordt dan bij kleine. Mensen kunnen elkaar makkelijker opjutten.”

In de jaren 80 bestond veel onvrede onder jongeren. Econoom Harrie Verbon: „Het uitzicht voor jongeren op de arbeidsmarkt was toen ook vrij hopeloos, de arbeidsmarkt zat muurvast. Maar sindsdien is het arbeidsklimaat flink verbeterd. De vut is toen niet voor niets ingevoerd. Die moest ruimte creëren voor jongeren.”

Is dat een verklaring voor de relatieve rust aan het actiefront? Blijft het daarom bij estafettestakingen in het stadsvervoer en een ludieke actie van hoogleraren?

Volgens Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, hebben Nederlanders het gewoon vrij goed. „Er is geen gevoel van wanhoop. In de beleving van de mensen zitten we in een heel gunstige situatie. De werkloosheid is extreem laag en onze arbeidsparticipatie behoort tot de hoogste van Europa.”

Daarnaast zijn de burgers slechter georganiseerd, zegt hij. „Een gevolg van de individualisering. Alleen ouderen kunnen nog een vuist maken, maar jongeren zitten te kniezen achter hun computer. Een verschil in Nederland is ook dat er eind is gekomen aan de maakindustrie. Grote bedrijven met duizenden werknemers zie je niet meer. Dat zie je nog wel in Duitsland.”

Het kabinet-Lubbers I brak met het verleden door een regeerakkoord waarin voor 7 miljard gulden (3,2 miljard euro) aan bezuinigingen als doel werd gesteld. Dat was bijna 2 procent van het bruto binnenlands product. Doelstelling van Rutte is het begrotingstekort in één kabinetsperiode terug te dringen met 18 miljard euro, ofwel 3 procent van het bbp.

Maar in tegenstelling tot de periode-Lubbers wordt de noodzaak om de overheidsfinanciën te saneren nu breed gedeeld. Minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) bestookte de natie in het vorige kabinet al met onheilsboodschappen over de staat van de overheidsfinanciën. De vraag is of hij daarmee niet dé wegberijder is geweest voor dit bezuinigingskabinet. Vorig jaar hadden alle partijen, van links tot rechts, bezuinigingplannen à 10 miljard of meer in hun verkiezingsprogramma staan.

Minister-president Balkenende maakte de geesten rijp, toen hij twee jaar geleden sprak van „dramatische werkloosheidscijfers”. Het Centraal Planbureau voorspelde een werkloosheid die kon oplopen naar 10 procent van de beroepsbevolking. „De ongekende terugval van de economie doet denken aan de jaren dertig”, zei de premier.

Met de werkloosheid bleek het later allemaal mee te vallen. Vorig jaar werd een piek gehaald met 5,4 procent en sindsdien daalt ze. Ook het gat op de begroting is kleiner dan verwacht. Groter dan 32 miljard euro (5,4 procent van het bruto binnenlands product) werd het niet. Dit jaar valt het tekort al 10 miljard lager uit.

Maar het kabinet-Rutte zal zijn koers niet wijzigen. Het economisch herstel is broos, de schuldencrisis in Europa geeft onzekerheid en de overheidsfinanciën verbeteren ook door toevallige meevallers als hogere gasbaten. De vergrijzing en de kostenexplosie in de zorg vergen bovendien een overschot op de begroting. Anders is het ondoenlijk de voorzieningen van de welvaartsstaat overeind te houden voor toekomstige generaties.

Bij de voorgenomen omvang van de bezuinigingen is het moeilijk geen ruzie te krijgen in de polder. Weliswaar staat de VVD niet bekend als liefhebber van het Hollandse corporatistische model, maar dat betekent niet dat Rutte en zijn ministers uit zijn op een conflict met de sociale partners. Het kabinet heeft hen hard nodig, zeker nu CDA en VVD geen meerderheid hebben in de Eerste en Tweede Kamer.

Dus wordt er gepolderd. Minister Kamp van Sociale Zaken (VVD) zoekt tot nu toe minder de confrontatie met de vakbonden dan zijn voorganger Piet Hein Donner. Kamp stelde zich terughoudend op in de discussie over de oudedagsvoorzieningen, de moeizame uitwerking van het pensioenakkoord dat sociale partners gisteren na ruim een jaar van vertrouwelijke onderhandelingen presenteerden. Kamp bracht al snel na zijn aantreden een werkbezoek aan de vakcentrale FNV. Donner is nooit langs geweest op het hoofdkantoor in Amsterdam.

James Kennedy, van oorsprong Amerikaan, hoogleraar Nederlandse geschiedenis, vindt het huidige kabinet helemaal niet confronterend. „Er wordt juist stelselmatig gepoogd voldoende draagvlak te vinden.”

Volgens de historicus kent Nederland een lange traditie van „een betrekkelijk meewerkende en voor het overige lijdelijke houding” van burgers tegenover voornemens van de overheid. „Er bestaat toch altijd de neiging tot meedenken. Natuurlijk bestaan er geschilpunten, maar tegelijk is het besef dat er wat moet gebeuren groot. In Nederland speelt het debat zich af binnen de kaders die het kabinet heeft uitgestippeld. Het hoort bij de gouvernementele houding. Er is een braafheid die stelselmatig naar voren komt.”

En mocht de burger dan boos zijn, op wie moet hij zijn woede dan richten? „Boos op Europa of op de Griekse steun? Hoe uit je dat”, vraagt cultuursocioloog Anton Zijderveld zich af. „Hoe wil je protesteren tegen Brussel? Wij zijn een net coalitieland. Alle revolutie-achtige toestanden in het verleden zijn allemaal door de samenleving geabsorbeerd. Ook Wilders is geen buitenstaander meer en doet nu water bij de wijn. Een deel van zijn achterban denkt zelfs dat hij minister is.”

Dat absorberende vermogen van onze samenleving, zegt Zijderveld, is een groot goed. „Volgens mij zijn mensen nu gewoon tevreden. Je ziet het bij zo’n staking in het stadsvervoer. Ach, mensen weten het van tevoren. En ze houden er rekening mee dat ze een dagje niet met de bus kunnen.”