Rooien

Tommy Wieringa over zo oud worden als de bomen.

Een vriend in Hongarije leest dat ik vijf wilgen plantte op de dijk. Vanaf zijn geheime landgoed in Transdanubië bericht hij me dat hij ook juist bomen heeft geplant op zijn land; viereneenhalf miljoen in totaal. Er kwamen populieren langs de lanen, eiken en vooral acacia’s, de boom die het hout leverde voor de Ark des Verbonds; steenhard en ondoordringbaar voor insecten. (Wanneer ik schrijf dat ik vijf bomen plant, staat er dat ik dat zelf deed; ik zaagde rechte stammetjes uit een oude wilg, boorde gaten in de grond met een grondboor, zette ze daarin en bewaterde ze regelmatig. Wanneer hij schrijft dat hij viereneenhalf miljoen bomen heeft geplant, zien we personeel in de weer; mannen met ontbloot bovenlijf op Zetor-tractoren, stofkolommen op de heuvels.)

Ook al noemt hij het planten van bomen een positieve bijdrage aan de wereld, de reden voor bosbouw was een prozaïsche; de landbouwgrond was schraal, de tractorchauffeurs werden ’s nachts belaagd door de vrouw van de opzichter, en er waren de wilde zwijnen die de grond en de gewassen omploegden.

In zijn landverhuizerspost lees ik: „In Hongarije en Roemenië doet de acacia het uitzonderlijk goed, veel beter dan in Nederland. Het is heel hard hout, hier veel gebruikt voor hekken. Over twintig jaar kunnen we ze rooien, de eiken pas over zestig jaar, een reden om over de honderd te worden, dan kan ik nog zien hoe mijn bomen worden geoogst. Acacia kan een goede vervanger zijn voor tropisch hardhout. Daarom is het planten van acaciabossen een goede zaak.”

Bij het huis plantte hij twee platanen. „Die streel ik over de bast”, schrijft hij, „daar ben ik eigenlijk het meest blij mee. (Want niet in het snijden der padi is de vreugde, maar in het snijden der padi die men geplant heeft.)”

Vanuit de trein tussen Weesp en Hilversum kijk ik soms naar het huisje waar ik zeven jaar woonde, ver weg in het weiland, onder de Vechtdijk. Vroeger onttrok een paardekastanje het huisje aan het zicht, tegenwoordig is het goed te zien, de kastanje is dood. Mijn hangmat hing eronder, ik stookte vuurtjes in het gras aan zijn voet. Kort na mijn vertrek is hij gerooid. Een geheimzinnige bloederziekte tastte hem aan, de bast liet los, hij kwam steeds schuiner te staan.

Ik kende de man die hem plantte. De boom en hij werden samen oud, ze werden gelijktijdig ziek, op een grijze ochtend versierden zijn mooie blonde dochter en ik de platte wagen met hulst en bloemen. Twee Friese paarden trokken de wagen met de kist erop naar het stadje in de verte, waar de kerkklokken al beierden. De boom overleefde hem maar een paar jaar.