Plastic

Reiziger van beroep Ivo Weyel ontmoet de bestekman.

Het was borreltijd. Nee, het was koffietijd. Ik zat in de tijdloze tijdzone die overstappen tussen twee continenten met zich meebrengt. Ik schonk een glas witte wijn in, pakte een croissant, de ideale ontbijtborrel op dit soort momenten. De man naast me in de vliegveldlounge handelde in plastic bestek. Dat had hij me al in het vliegtuig verteld, voordat we hier naar toe waren geloodst om de transfer uit te zitten, want dat mag nooit in het vliegtuig; dan dreigt er brandgevaar en liggen ontploffingen op de loer. De plastic bestekman had fortuin gemaakt door ontploffingen. Hij zei dat prikkend in een halve kreeft die hij omhoog hield voor mijn neus, niet om de kreeft te tonen, maar om de vork te benadrukken, een vork van staal. Hij vond het verrotte jammer dat de business class weer wereldwijd is overgestapt op metalen bestek. „Alsof er geen kapers meer op de loer liggen die je strot kunnen doorsnijden”, klonk het ietwat weemoedig. Nee, het waren gouden tijden toen „eindelijk ook die verwende eikels in de eersteklas hun tournedos Rossini (blijkbaar het duurste gerecht dat hij kon bedenken) met plastic mes moesten snijden”. Zijn messen. Er volgde een triomfantelijk Ha!, alsof de kapers in het algemeen, en zijn plastic bestek in het bijzonder, voor een democratische gelijktrekking in het luchtruim hadden gezorgd.

Toen viel hij stil. Hij was nogal dronken. „Maar weet u” – hij pakte kreeft en vork weer op – „door die kapers ben ik nu zelf zo’n eersteklas eikel geworden. Het heeft me geen windeieren gelegd, die tijd waarin alles van plastic moest zijn aan boord”, en toen volgde een lachsalvo die overging in een hikboer.

„In economy”, vervolgde hij met enige walging, „serveren ze nu broodjes die je met je handen moet eten, servetje erbij, klaar. Komt geen bestek meer aan te pas. Het enige wat ze nog van me afnemen zijn lepeltjes om de koffie mee te roeren, maar, weet u, dat zijn geen lepeltjes meer, maar stokjes, zogenaamde roerstokjes, tja, het zal u niet zoveel uitmaken, maar voor mij scheelt dat omzet, meneer, want wat zit er nou nog aan plastic aan een stokje? Want u moet wel rekenen natuurlijk, ik lever zo’n miljoen stokjes per jaar, maal zoveel, dat scheelt een slok op een borrel qua omzet, dat geef ik u op een briefje. En zeg nou zelf, met je handen eten, dat hoort toch niet, dat is toch onbeschaafd?”

Het was me duidelijk. Doordat er niet meer gekaapt wordt en er geen strotten meer worden doorgesneden, en hij dientengevolge geen plastic meer kan leveren, vervalt de mens weer tot holbewoner. Ik wilde daar nog iets over zeggen, maar hij was in slaap gesukkeld, dromend van een ideale plastic wereld.