Op hoop van zegen: mag je zomaar de spelregels veranderen?

Het pensioenakkoord is getekend. Maar kunnen de regels wel zomaar worden veranderd?

Dit is de vraag van 738 miljard euro. Wat gaat er gebeuren met het geld dat nu in de pensioenfondsen zit, met hun beleggingen van 738 miljard euro (stand per eind maart)?

Niemand kan het met zekerheid zeggen. Gistermorgen tekenden het kabinet, de werkgevers en de vakbonden een akkoord over de toekomst van de pensioenen en de AOW. De basis voor dat akkoord legden de werkgevers en de vakbonden vorig jaar zelf in hun overlegforum de Stichting van de Arbeid. Dat was op 4 juni, aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen. Een van de kernpunten, zo schrijven de partijen zelf, is een radicale wijziging van de pensioenafspraken tussen de werkgevers in het bedrijfsleven en bij de overheid aan de ene kant en de werknemers en gepensioneerden aan de andere kant. Zelf gebruikt de Stichting van de Arbeid natuurlijk niet het woord radicaal, dat zou critici als FNV Bondgenoten voorzitter Henk van der Kolk alleen maar in de kaart spelen. In het officiële akkoord heet het „een vernieuwing”.

De vernieuwing is dat winsten en verliezen op de pensioenbeleggingen in het nieuwe pensioencontract expliciet voor rekening komen van de deelnemers in het pensioenfonds, dus voor rekening van 7 miljoen werkenden en ruim 2,5 miljoen gepensioneerden. Nu merken de deelnemers het ook al als het mis gaat op de financiële markten, bijvoorbeeld doordat hun pensioen wordt bevroren en niet wordt verhoogd met de prijscompensatie (de zogeheten indexatie). En als het jaren achtereen mis gaat, worden na verloop van tijd de pensioenen verlaagd. Straks is de kans op andere oplossingen die de pijn helpen verzachten, zoals een premieverhoging of een extra storting van de werkgever in het pensioenfonds, echter zo goed als verkeken. Natuurlijk kunnen vakbonden pensioenhulp agenderen in de cao-onderhandelingen, maar gisteren heeft iedereen ook getekend voor het principe van premiestabilisatie.

Werknemers en gepensioneerden gaan in de toekomst rechtstreeks en expliciet delen in de winsten en verliezen van het pensioengeld op de financiële markten. Zij worden participant in een lusten- en lastenstelsel, eigenlijk zoals iemand die geld steekt in een beleggingsfonds. En als u dat leest, denkt u dan: ha, de lusten? Of juist: o wee, de lasten? De meeste mensen denken het laatste. Deelnemers in het Nederlandse pensioenstelsel houden niet van risico’s, blijkt keer op keer uit onderzoek. Zij zien risico’s automatisch als negatieve risico’s, als verliezen, niet als positieve risico’s, als kans op koerswinsten.

En dat kan niemand hen kwalijk nemen. Tegen de verwachtingen in van de deskundigen, die vijf jaar geleden de regels voor het het huidige pensioenstelsel hebben vastgesteld, zijn de financiële markten niet eens in de veertig jaar ingestort. Maar twee keer in minder dan tien jaar.

Critici van dit akkoord hameren op de negatieve risico’s, op de onzekerheid die het mensen geeft, mensen die pensioen juist associëren met financiële veiligheid, met zeker weten waar je op kunt rekenen als je stopt met werken.

De voorstanders van het akkoord brengen daar tegenin dat de pensioenbeleggers de verliezen van de beurskrach van 2008 en 2009 al hebben overwonnen. En de voorstanders wijzen ook op het voordeel van nieuwe, hogere boekhoudkunde. Omdat werknemers en gepensioneerden straks expliciet beleggingsrisico’s lopen, mag het pensioenfonds de waarde van zijn verplichtingen op een andere manier uitrekenen. Nu moet een fonds een lage rente gebruiken, straks mag dat hoger zijn. Die hogere rente is een maatstaf van het rendement dat een pensioenfonds denkt te maken. Bij een hogere rente kan het pensioenfonds toe met lagere bezittingen. Het geld groeit extra dankzij dat hogere rendement. Dat doet wonderen voor de financiële positie van het pensioenfonds. De waarde van de beleggingen ziet er opeens een stuk florissanter uit ten opzichte van de verplichtingen dan nu.

Iedereen blij? Mwah.

Een ogenschijnlijk florissante financiële positie nodigt uit tot ‘potverteren’: hogere prijscompensaties betalen of andere leuke dingen voor de mensen. In de jaren negentig van de vorige eeuw leidde dat tot premieverlagingen op ongekende schaal. In het volgende decennium moesten de werkgevers en werknemers daarvoor boeten met hogere premies en versoberd pensioen. De gepensioneerden kregen bevroren pensioenen. De les van toen was: een pensioenspaarvarken is niet zo vet als ’ie soms lijkt.

De voorstanders van het pensioenakkoord vinden de voordelen zo mooi, dat zij de bestaande pensioenrechten over een kam willen scheren met de nieuwe. Al het geld en alle rechten worden overgeboekt naar het nieuwe lusten- en lastenstelsel.

Maar mag dat zomaar? Onze pensioenrechten opeens wijzigen? Dat klinkt als het veranderen van de regels tijdens het spel.

De onderhandelaars in de Stichting van de Arbeid knijpen ’m. Het is op hoop van zegen. Zij weten eigenlijk nog steeds niet of het wel kan. Daarom hebben zij minister Kamp (Sociale Zaken; VVD) om een wettelijke regeling gevraagd, dan kunnen zij tegen sceptici zeggen: wij voeren gewoon de wet uit.

Maar een wettelijke oplossing was volgens de landsadvocaat, de juridisch adviseur van minister Kamp van Sociale Zaken, strijdig met Europees recht. Nu het akkoord er is, gaat Kamp de vraag nogmaals serieus laten onderzoeken.

Een nieuwe wet kan de overheveling van pensioenrechten niet met één pennestreek voor heel Nederland regelen. Wellicht moet elk pensioenfonds het apart doen. Maar of u daarover straks mag stemmen? Pensioenfondsen staan niet bekend als democratische instituten. In de ‘ergste’ variant voor de aanhangers van het pensioenakkoord mag iedereen zelf kiezen, met als mogelijk gevolg: twee pensioenstelsels naast elkaar.

Wie zich zeker niet zullen neerleggen bij dit akkoord zijn de georganiseerde gepensioneerden. Zij voelen zich miskend omdat zij niet aan de onderhandelingstafel zitten. Zij zamelen geld in voor rechtszaken.