Obstructie in België levert stemmen op

Het is geen wonder dat België nog steeds geen regering heeft. De partijen doen niets met hun stemmen, behalve wachten op nieuwe verkiezingen, stelt Johan Vande Lanotte.

De laatste tien jaar is het armoederisico in België gestegen. Maar terwijl in Wallonië dat risico stijgt tot ongeveer 19 procent, daalt het in Vlaanderen juist, tot 10 procent. Dat geldt niet alleen op het vlak van de armoede, maar ook tal van andere zaken, zoals onder andere de structurele werkloosheid. Wie zou in zo’n situatie in principe moeten pleiten om de bestaande situatie te continueren? Diegene die het goed doet. Wie zou verandering moeten vragen? Diegene die achteruit gaat. In België is dat net andersom. De Franstaligen willen liefst zo weinig mogelijk aan de structuren veranderen, omdat de Vlamingen dat juist wel willen.

Veel Vlaamse partijen zijn bevreesd dat hun welvaart bedreigd wordt, omdat ze vinden dat de veranderingen die ze willen doorvoeren, door de Franstaligen worden tegen gehouden en – misschien nog meer – omdat ze vinden dat ze binnen het Belgische geheel te veel moeten betalen en de Franstaligen te weinig. Het is discutabel of dat wel zo is. Tot op heden zijn de Vlamingen niet erg hervormingsgezind met de aan hen overgehevelde economische bevoegdheden, terwijl de Walen het meest hebben vernieuwd. De welvaart van de Vlamingen zou weleens het meest kunnen bedreigd worden door een verregaande zelfvoldaanheid, een onnoemelijke bureaucratisering, een zeer beperkte openheid voor vernieuwing en een sterk terugvallen op zichzelf van de Vlamingen. Maar dit dus even ter zijde.

De Franstaligen zijn tegen verandering omdat ze er van overtuigd zijn dat hun economische herstel nog een tijd zal duren (vaak zeggen ze tien jaar) en dat verdere regionalisering hen geld gaan ontnemen, waardoor ze hun wederopstanding mislopen. Tegelijkertijd loven ze – niet onterecht – het Waals Marshallplan dat effectief de economische reconversie probeert uit te werken. Kortom : angst en vrees, spelen een belangrijke en niet altijd rationele rol in het debat.

Maar dat is niet de reden waarom het niet vooruitgaat. Die ‘angsten’ kunnen worden weggenomen. Het is mogelijk Vlaanderen meer armslag te geven (maar Vlaanderen zal die dan ook moeten gebruiken) en het is ook mogelijk Wallonië garanties te geven voor de komende 10, zelfs 20 jaar, maar Wallonië zal dan in zichzelf moeten geloven. De partijen moeten dan wel rond de tafel afstand nemen van een aantal slogans, loze beloften, opgeklopte gevoelens en angsten, die ze zorgvuldig sinds enkele jaren hebben gekoesterd.

Aan Vlaamse zijde is het eind 2003 begonnen. Paars wint in 2003, de christendemocraten (CD&V) houden geen stand, de Nieuw-Vlaamse alliantie (NVA) scoort slecht. Na de verkiezingen smeden de christen-democraten en de NVA een kartel en kiezen ze resoluut voor een gespierd Vlaams discours. Yves Leterme verklaart in de Franse pers dat de Walen niet slim of te lui zijn om talen te leren en prompt stijgt zijn populariteit met 10 procent. Aan Vlaamse zijde kunnen CD&V en NVA terugkeren, zo blijkt, als ze de Walen als vijand beschouwen. Dat loont electoraal maar leidt tot grote problemen na de verkiezingen. Het verkiezingskartel van CD&V en NVA worden weliswaar met 30 procent van de Vlaamse stemmen, de grootste, maar kan het programma niet uitgevoerd krijgen. De Franstalige reageren geschokt op de retoriek van NVA en CD&V en vormen een afwijzingsfront, dat al vlug een credo van bijna alle Franstalige partijen wordt. Tussen 2007 en 2010 gebeurt er eigenlijk niets, behalve het voeden van frustraties.

Kort samengevat : CD&V en NVA pompen de verwachtingen bovenmatig op en bereiken – mede daardoor – ondermaatse resultaten. In 2008 is het kartel CD&V/NVA uiteengespat, in 2010 valt de regering voortijdig over het communautair probleem. De CD&V verliest zwaar, de NVA wint sterk maar samen met het Vlaams Belang Vlaams Belang halen ze totaal bijna 60 procent van de Vlaamse stemmen. Eindelijk zal een einde gesteld kunnen worden aan het Franstalig, quasi communistisch profitariaat.

Bij de Franstalige partijen zien we een gelijkaardige evolutie. Al voor 2007, maar vooral vanaf 2009, gaan zij de Franstalige kiezer steeds gruwelijker verhalen over de Vlaamse arrogantie vertellen, er wordt zonder enige schroom verwezen naar de Vlaamse collaboratie met de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Iedere partij presenteert zich als de dam tegen het rechtse, quasi fascistische Vlaanderen van de nouveau riches. Radicaal afwijzen dus.

Federale, regionale en gemeenteraadsverkiezingen wisselen elkaar af en zijn in België even belangrijk. De grote politieke figuren, zoals Bart Dewever van de NVA, zijn bij al die verkiezingen boegbeeld. Dus heerst er elke twee jaar verkiezingskoorts. Volgend jaar zijn er weer gemeenteraadsverkiezingen, in 2014 normaal gezien weer federale.

Ik kom nu terug naar de situatie op federaal niveau. De partijen – Nederlandstaligen zowel als Franstaligen –, hebben hun kiezers een bepaald beeld van de situatie gegeven. Ze hebben ze duidelijk gemaakt hoe afgrijselijk hun toekomst eruit ziet als niet alles verandert (Vl) of hoe arm iedereen wel zou worden als er iets zou veranderen (Fr). De NVA heeft zelfs na de verkiezingen nog beweerd dat België economisch doodziek is, terwijl iedereen in het buitenland zich verbaast over het vlugge herstel in België, nota bene zonder regering. De Franstalige pers heeft na de verkiezingen nog eens het oorlogsverleden van de familie Dewever opgerakeld. Er zijn dus torenhoge verwachtingen en diepe angsten gecreëerd en ingeprent, die (gelukkig maar) niet realistisch zijn. Maar, uiteraard, kunnen ze die verwachtingen niet waar maken. Dus riskeren ze stemmen te verliezen. In 2012 zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Zoals gezegd: politiek erg belangrijk in België en in 2014 zijn er weer parlementsverkiezingen. Dus kan er ‘nu’ geen compromis bereikt worden, want dat kan onmiddellijk electorale gevolgen hebben.

De Belgische kiezers zijn de gevangenen van politieke partijen die de dag na de verkiezingen als belangrijkste doelstelling hebben, de verworven stemmen niet te verliezen. Voor de verkiezingen spreken ze de kiezer naar de mond, versterken ze zelfs hun megafoongehalte, na de verkiezingen moeten de stemmen gezekerd worden. Pleasing leadership heet dat. Surf mee op de golven van de verontwaardiging, versterk die en zorg er nadien voor dat je dat verder kunt blijven doen. Zorg er in elk geval voor dat de bron van verontwaardiging niet opdroogt. Een externe vijand is daar een ideale bondgenoot voor, in België zijn dat respectievelijk de Walen en Vlamingen, of de Brusselaars als dat niet volstaat.

In mijn visie van een democratie krijgt een partij stemmen en wordt die partij verondersteld daarna zo goed als mogelijk het vooropgestelde programma te realiseren. In een democratie is dat een democratische plicht van de meerderheid en van de oppositie. Het smeden van compromissen is daar ook een onderdeel van. En na vier jaar kan de kiezer die partijen hierop afrekenen.

Vandaag de dag is het de essentiële doelstelling van een aantal politieke partijen, aan beide zijden van de taalgrens, om de behaalde stemmen te behouden tot de volgende verkiezingen, waarna alles opnieuw wordt herhaald. Dat heeft wel tot gevolg dat de macht die de kiezer geeft, enkel negatief wordt gebruikt. Of moet ik zeggen, misbruikt? Dat is de reden – naar mijn bescheiden mening – waarom België nog altijd geen regering heeft.

Johan Vande Lanotte, Vlaams socialist, is Belgisch Minister van Staat en bemiddelde onlangs tevergeefs om een Belgische regering te vormen.