Het kabinet-Rutte behandelt de gemeenten als bijkantoren

Was dit de week waarin Nederland zichzelf de oorlog verklaarde? Het land zoals we dat kennen werd de wacht aangezegd door een politieke minimeerderheid die roept: nu wij. Gesubsidieerde kunst, begripvolle zorg, hulp bij werken, hoopvol straffen, dertig smaken omroep, elk uur een driekwart lege bus en een brandweerrooster dat ruimte laat voor een stucadoorsbedrijfje – niets is meer vanzelfsprekend.

Het was de week waarin het kabinet-Rutte de bankschroeven aandraaide. Van langdurig tot geestelijk ziek zijn, van sociale werkplaats tot Nationaal Historisch Museum, van kinderopvang tot Wereldomroep – er is geen ontkomen aan. Het snoeimes glinstert. Nu komt het aan op macht. Wie bestuurt dit land? Het kabinet of de consensus?

Het onwaarschijnlijk actieterrein was het congres van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een voormalige kachelfabriek in Ulft. Daar moesten 418 gemeenten een oordeel vellen over het bestuursakkoord dat het bestuur van de VNG in april sloot met de rijksoverheid. Het kabinet wil meer sociale taken decentraliseren en tegelijk fiks bezuinigen. Het bestuursakkoord met provincies en gemeenten moet 2 miljard opleveren.

De rijksoverheid vindt kennelijk zelf dat zij dat werk niet goed doet. Gemeenten kunnen het zo veel beter dat zij het met veel minder af kunnen, is de opportunistische logica. Terwijl Den Haag de grote gemeenten geen zelfstandigheid gunt bij het inrichten van het openbaar vervoer, gooit het Rijk de Wajongers en honderdduizenden langdurig van AWBZ-hulp afhankelijken over de schutting.

Het VNG-apparaat, onder leiding van burgemeester Jorritsma van Almere, vond het kennelijk een goede kans op nieuwe klantjes voor het stadhuis, zonder genoeg te luisteren naar de achterban. Bijna alle grote en middelgrote steden waarschuwden al weken. Zij hadden weinig zin om het bezuinigingskarwei voor het Rijk te doen en nog minder om hun burgers te moeten afschepen met half werk.

Jorritsma c.s. redt haar gezicht door het meest omstreden hoofdstuk van het bestuursakkoord niet in stemming te brengen. Een verlengd voorzitterschap was Jorritsma’s ultieme straf. Leve de rest van het akkoord, verkondigde zij na afloop van haar pyrrusoverwinning.

Minister Donner Binnenlandse Zaken, CDA) herhaalde dat een half akkoord geen akkoord is. Hij trok weer een gezicht alsof hij de enige volwassene was in de zaal. Zondag, bij Buitenhof, dreigde hij met chaos. De wetgever zou de gemeenten weten te vinden. PVV’er Hero Brinkman vond zelfs dat „ondemocratische weigerburgemeesters” ontslagen moeten worden – alsof de legitimiteit van het kabinet groter is dan de door dezelfde kiezers gekozen gemeenteraad.

Nu het bestuur steeds politieker is geworden, en de wetgeving steeds bestuurlijker, beschouwen de hoofdrolspelers wetgeving als een omslachtig instrument om de eigen zin door te drijven. Dat maakte Donners opmerking na de revolte van Ulft – dat de wetgever zal vastleggen wat de gemeenten niet accepteerden – minder onschuldig dan zij leek.

Minister Donner had formeel gelijk, maar binnen het Nederlandse openbaar bestuur paste zijn dreigement niet. Door de kritische gemeentebestuurders – grotendeels ten onrechte – van politieke motieven te betichten, bevestigde hij de trend van politisering van het bestuur. Hij bevestigde het beeld van „de partijdige wetgever”, zoals staatsrechtgeleerde M. Scheltema dat heeft genoemd.

Een bestuurder die partijdig wetgeeft, verspeelt de legitimiteit van het openbaar bestuur. Dat probleem exporteert dit kabinet, mét zijn financiële problemen, naar de gemeente. Niet de gemeentebestuurders, die vaak in opdracht van de gemeenteraad tegenstemden, handelden partijpolitiek. Zij meenden dat de aan hen overgedragen taak niet verantwoord kan worden verricht met te weinig geld. Donner ontzegt hun het recht om, als gelijkwaardige overheid, een andere mening te hebben.

In het Nederlandse staatsbestel staan de overheden niet in een hiërarchische verhouding tot elkaar. Zij hebben hun eigen wettelijke taken. Provincies kunnen ruzies tussen gemeenten beslechten of toezicht houden. Zij geven geen opdrachten aan gemeenten, net zo min als het Rijk een dienstbevel de provincie in kan sturen. De wetgever beslist, maar niet zomaar.

De machtsvraag zal bij alle aangekondigde bezuinigingen opspelen. Moet de rijksoverheid het doen, die zichzelf al jaren wegprivatiseert en decentraliseert? Of leiden tegenwichten tot betere resultaten? Dat geldt niet alleen tussen de overheden. Kijk naar de rol van deskundige adviesraden. Het vorige kabinet heeft al wat opgedoekt. De economen van de REA konden gaan. De Energieraad bungelt. De Raad voor Cultuur kon de revanchistische, onevenredige kunstbezuinigingen niet keren en adviseerde toen maar de beul, over de beste methode van verdoving. Dit is een leerzaam echec voor andere adviseurs. Zoek naar kwaliteit, formuleer waarden en beschavingsgrenzen. Bedenk niet hoe ze te slopen.

Donner kan stoer doen, omdat hij de wetgever in de knip heeft dankzij het regeer- en gedoogakkoord, maar gemeenten en provincies zijn geen regiokantoren van het Rijk. Gemeenten beschouwen zichzelf als ‘de eerste overheid’. Daar woont de burger. Daar wordt hij gekend. Den Haag, deels ingehaald door Europa, hunkert naar macht, meestal de verkeerde.

De kiezers geven zowel de regering – via de Tweede Kamer – als de gemeenteraad opdracht om het algemeen belang te dienen. Openbaar bestuur gedijt het beste als de diverse bestuurslagen elkaar respecteren en tegenwicht kunnen geven. Dat vergeet dit kabinet stelselmatig. Den Haag is niet democratischer dan Ulft.

marc chavannes

E-mail de auteur (opklaringen@nrc.nl) of schrijf online op www.nrc.nl/opklaringen