Handel in twijfel

Het is de kracht en de zwakte van de wetenschap dat zij weinig harde waarheden in de aanbieding heeft. De wetenschap kan niet op tegen kerk en politiek. De kerk weet zeker dat paus Johannes Paulus II een wonder heeft verricht door een non van de ziekte van Parkinson te genezen. Hij heeft dat zelfs postuum gedaan, twee maanden na zijn dood. De wetenschap kan daar alleen tegenover stellen dat dit een onwaarschijnlijk scenario is, maar verder dan dat zullen de meeste onderzoekers niet willen gaan. Die chronische twijfel, al die slagen om de arm, dat is de kracht en de zwakte van de wetenschap. De kracht, omdat twijfel de waarheid steeds dichterbij brengt; de zwakte, omdat de gemiddelde Nederlander geen boodschap heeft aan wetenschappelijke twijfelzucht. Simpele waarheden en geen gedraai: aan hypotheekrenteaftrek wordt niet getornd, pausen verrichten wonderen en worden heilig.

De bereidheid van onderzoekers om door te blijven praten kan makkelijk worden misbruikt door politiek of financieel gemotiveerde discussianten, zeker wanneer de consequenties van wetenschappelijke vondsten financieel ingrijpend zijn. Die perfide orkestratie van een zogenaamde wetenschappelijke discussie is prachtig beschreven in een boek getiteld Merchants of Doubt, handelaars in twijfel, van twee Amerikaanse historici, Naomi Oreskes en Erik Conway (Bloomsbury Press, 2010). Dit boek begint met de tabak en eindigt met de opwarming van de aarde. Het is fascinerende lectuur, al word je er niet vrolijk van. Onthutsend voor mijzelf vond ik de rol die oudere onderzoekers spelen als pionnen van de industrie. Vooral de oudere, beroemde onderzoeker wordt als pion ingezet, want aan nobodies heeft de industrie niets.

Een goed voorbeeld is Frederick Seitz, die het in zijn goede jaren gebracht heeft gebracht tot president van Rockefeller University en zelfs van de National Academy in Amerika, functies waarvoor je wel iets in je mars moet hebben. Eenmaal uit de actieve wetenschap werd Seitz door de tabaksindustrie gerekruteerd om leiding te geven aan een groot onderzoeksprogramma dat originele onderzoeksprojecten zou financieren, die buiten de mainstream van biomedisch onderzoek vielen. Serieus onderzoek, maar ook onderzoek van rare snuiters met zeer afwijkende ideeën over het ontstaan van kanker, hartinfarcten en longemfyseem, de drie belangrijkste gevolgen van sigaretten roken. Hun resultaten bleken bruikbaar voor de tabaksindustrie om twijfel te zaaien over de schadelijkheid van de sigaret en om wetenschappelijke experts die bereid waren om in rechtzaken te getuigen dat de schadelijkheid van sigaretten niet onomstotelijk was bewezen. Deze pseudowetenschap werd geflankeerd door een uitgekiende mediastrategie, waarbij dankbaar gebruik werd gemaakt van het ‘hoor en wederhoor’-principe. Zo wist de tabaksindustrie lang de schijn op te houden dat de schadelijkheid van de sigaret nog niet een algemeen aanvaard wetenschappelijk feit was.

Hoe een man als Seitz ertoe kwam om zich zo voor de kar van de tabaksindustrie te laten spannen is precies bekend. Door zijn werk aan de ontwikkeling van de atoombom, behoorde Seitz tot de haviken binnen de Amerikaanse fysische beweging. Als president van de Amerikaanse academie had hij zich al impopulair gemaakt door zijn steun aan de oorlog in Vietnam. Die vervreemding van zijn wetenschappelijke vrienden maakte hem ontvankelijk voor de warme ontvangst door de tabaksindustrie die zijn kwaliteiten wel wist te waarderen. Door zijn anti-communisme was Seitz ook een felle tegenstander van iedere overheidsbemoeienis geworden, inclusief de overheidsbemoeienis met de sigarettenroker.

Later zou Seitz zich ook gaan roeren in de discussie over broeikasgassen, waar hij een van de felste bestrijders van de visie van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) zou worden. Ook daar spelen financiële belangen (van de klassieke energieproducenten) en waren de wetenschappelijke resultaten in eerste ronde niet keihard en eenduidig. Ook daar is door de industrie een systematische campagne van desinformatie georkestreerd en gefinancierd.

In Amerika wordt die strijd gevoed door ultrarechts, dat de overheid ziet als een noodzakelijk kwaad: er is niets dat de vrije markt niet op kan lossen. Wanneer de overheid eenmaal de vrije markt inperkt, dan volgen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van religie snel. Dat er neveneffecten zijn van de vrijemarkteconomie, die niet ingeprijsd worden en die overheidsingrijpen vereisen, willen deze vrijemarktfundamentalisten niet accepteren. Wanneer de wetenschap concludeert dat de overheid beperkingen aan de markt moet stellen, dan deugt de wetenschap per definitie niet.

En valt er aan de wetenschappelijke feiten niet meer te tornen, dan is er altijd nog de godsdienst, die argumenten levert, waarover geen rationele discussie mogelijk is. Bij de laatste Amerikaanse verkiezingen, is de koffiedik kijkende, Tea Party-aanhangende fractie in het Huis van Afgevaardigden versterkt. Naast ontkenning van onwelkome wetenschappelijke feiten, werpen deze republikeinen ook originele religieuze argumenten in de strijd: John Shimkus, voorzitter van de nieuwe ‘Environment and Economy’-commissie, heeft in de Bijbel gelezen dat God de wereld nooit door opwarming zal vernietigen. Er is dus geen klimaatprobleem. Je zult als God maar zulke discipelen hebben.