Griezelen

Dit is voor de oorlog gebeurd. Een essayist van naam, misschien Menno ter Braak, ziet ergens een piloot of een zeekapitein, in ieder geval iemand van wie je niet meteen zou denken dat hij wordt meegesleept door cultuurkritische verhandelingen. Die man is totaal verdiept in De opstand der horden van José Ortega y Gasset, of J. Huizinga’s meesterwerk In de schaduwen van morgen. Het spijt me dat ik niet nauwkeuriger kan zijn. Alleen de essentie van de gebeurtenis is blijven hangen. De essayist vraagt wat deze lezer zo boeit in zijn lectuur. Ik vind het prachtig omdat ik er zo lekker bij kan griezelen, zegt hij.

De twee genoemde boeken horen tot de ondergangsliteratuur van de jaren dertig. Bestsellers. Iedereen die een beetje begaan was met de toekomst van de mensheid, had een exemplaar op het salontafeltje liggen. Rijkere mensen, ‘beter gesitueerden’ werden ze toen genoemd, hadden een salon met een tafeltje waarop een belangrijk werk lag. Deze twee waren salontafelboeken. Dat was de naam van het genre. Verwar het niet met boeken als Het verstoorde mierennest van Kees van Bruggen of H. G. Wells’ The War of the Worlds. Daarin loopt het ook slecht met de planeet af, maar tenslotte is dat aan de verbeeldingskracht van de schrijver te danken. En dan hebben we de godsdienstig geïnspireerde onheilspellers, zoals onlangs de dominee uit Florida die had doorgekregen dat het overmorgen zou gebeuren. Nog een grapje uit de ouwe doos. Op de BBC zegt de nieuwslezer: The world will end tomorrow. Weather forecast: heavy rains and thunderstorms. Leuk? Het hoort erbij.

Maar daar gaat het hier niet om. Ik bedoel nu de exact voorspelde ellende die ons onontkoombaar te wachten staat. De voorspellingen van de Club van Rome. Slagen we er niet in grenzen aan de groei te stellen dan zal de beschaving onvermijdelijk door uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en overbevolking ten onder gaan. Zo ongeveer. Toen het rapport verscheen, in 1972, maakte het diepe indruk. Een jaar later brak de eerste oliecrisis uit. Veel mensen zagen daarin de bevestiging dat het al bijna zo ver was. Autoloze zondagen, maximumsnelheid, ik rij honderd als Den Uyl opdondert. Koeweit Koeweit kielekiele Koeweit. Het is allemaal geweldig meegevallen. Toen.

Dat is de handicap van alle onheilsprofeten. Het tastbare bewijs ontbreekt. En meteen komt de partij van de ongelovigen. De voorspellers worden onbedaarlijk uitgelachen, beledigd, voor onwetenschappelijke piskijkers uitgemaakt. De voorspelling wordt de oorzaak van een soort godsdienstoorlog. Zo is het bijvoorbeeld gegaan met de film van Al Gore, An Inconvenient Truth. Een paar weken na de première was ik in New York. Zondagochtend, Union Square. Daar stond een stalletje van de overtuigde Goristen die pamfletjes met de waarschuwende boodschap uitdeelden. Een eindje verder een zeer dikke jongeman zoals je ze daar veel ziet. Hij gaf me ook een pamfletje. Al Gore is a big fat liar. Dat was de tekst.

Intussen zijn we een decennium verder. We weten dat China bezig is om Amerika als economische wereldmacht in te halen, India is ook aardig op weg, en wat er na de Arabische Lente op den duur van het Midden-Oosten zal worden moeten we afwachten. In ieder geval is de wereld bezig in hoog tempo te veranderen. En nu zag ik in de International Herald Tribune (7 juni) op de opiniepagina een kop ‘Can the planet support more Americas?’ Het is geschreven door Chandran Nair, oprichter en directeur van het Global Institute for Tomorrow, een pan-Aziatische denktank in Hongkong.

Ik had er nooit van gehoord, maar als het in de Tribune staat, moet het wel betrouwbaar zijn, dacht ik. Daar kom je al met je westerse vooroordelen. Het artikel hoort tot de griezellectuur die ik hierboven noemde. Het jaar waarop Nair zich concentreert is 2050. Dat is niet ver weg. Hoewel, ik ken geen voorspellingen uit 1970 die onvergetelijk zijn omdat ze zijn uitgekomen. In elk geval, wat Nair schrijft, maakt een plausibele indruk.

Economen (namen worden niet genoemd) verwachten dat de Amerikaanse economie de komende veertig jaar drie keer zo groot zal worden. Dit betekent dat de economieën van China en India dan nog groter zullen zijn. De wereldbevolking is intussen ook onbedaarlijk verder gegroeid. Mensen die in de nieuwe groeiende economieën wonen, willen deel hebben aan de zegeningen van het consumentisme. Over hoe dit zich zal ontwikkelen laat Nair zich summier uit. Hij verwacht tegen 2050 drie miljard auto’s op de planeet en eenzelfde groei van het aantal kippen dat we zullen opeten. Hij eindigt met een oproep aan de betrokken regerende elites van nu en straks om een matigend beleid te voeren. Al met al een nobel en geloofwaardig artikel.

Eén probleem blijft onbesproken: de absolute tegenstelling tussen consumentisme en matiging. De consument zoals die zich ongeveer sinds het einde van de Koude Oorlog in Amerika en Europa heeft ontwikkeld, is in alle opzichten een zwelger. Iedere poging om hem tot matiging te manen ervaart hij als een naderend onrecht waartegen hij zich woedend verzet. In 2050 drie of vier wereldeconomieën vol gemotoriseerde zwelgers. Griezelen.