Een ster helpt. Althans, deze ster

In 1947 werd het Holland Festival verzonnen. Elke zomer een maand lang onbescheiden cultureel spektakel in Amsterdam, met grote namen uit de muziek en de podiumkunsten. De oorlog was voorbij. Hij mocht niet vergeten worden, maar nu kon hij even de pot op. Het Holland Festival greep hoog en het greep raak. En daar hield het niet meer mee op, tot op de dag van vandaag. Met expliciete voorrang voor wat je ver haalt, want geef toe, dat is lekker. (De beledigde gezichten van eigen bodem? Die zijn in de rest van het jaar weer aan de beurt).

Inmiddels is de wereld klein geworden. De media brengen elke grootheid op ooghoogte en het Holland Festival is bijna-bejaard. Het maakt geen verschil.

Ha, het is juni. Dankzij het Holland Festival staat de Franse filmster Isabelle Huppert op het toneel in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Denk ik aan haar, dan denk ik aan de film La pianiste: zij als een reddeloos getroebleerd ouder meisje. SM-geïnteresseerd met de nadruk op ‘M’. We zien haar d’r eigen moeder aanranden en we denken: zet ’m op! Isabelle Huppert is een ster, maar ook een kei. Ze durft alles.

In Amsterdam zal Huppert Blanche DuBois spelen, de wankele nachtvlinder in A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams. Met die beschamend verdrietige laatste zin: Whoever you are, I have always depended on the kindness of strangers. Blanche is erin geluisd. Ze wordt afgevoerd naar het gekkenhuis.

Altijd als het stuk wordt gespeeld, ga ik het zien. Hupperts Blanche wil ik al helemaal niet missen. Wat Hamlet voor acteurs is, is Blanche voor actrices. Alles is mogelijk, maar o wee, wat kan ze iemand onderuit halen.

In de schouwburg tref ik de actrice Tamar van den Dop. Ze speelde Blanche in 2008. Niet blond, niet frêle, geen ijle schone. Donker. Aards. Klauwend naar geluk. Ze vertelt: „Ik had net een kind gebaard en moest nog 10 kilo kwijt.” Met groots effect.

Haar Blanche, zegt ze, beantwoordde zo veel ze kon aan het vooroordeel van haar omgeving jegens haar. „Want ze wil bij ze horen en ze wil dat ze van haar houden. Maar ze verliest de controle, denkt: ben ik dan wèl gek? Nee toch?”

Lichten uit. Daar is Isabelle Huppert. Haar Blanche is een kapotte pop. Haar knieën knakken, haar heupen verzakken. Haar nek is van glas onder het gewicht van haar hoofd. De zinnen rollen uit haar mond als razende gedachten. Ze gaat in gevecht met zwager Stanley. Hij verkracht haar. Wij herkennen een oorlogshandeling.

Is deze voorstelling geslaagd? Niet zo. De regisseur bedelft het stuk met gewichtigheid en verplettert het sidderende gevoel tussen Blanche en haar zusje Stella.

En toch is het genieten geblazen, want Isabelle Huppert laat zich uitdagen. Ze speelt iedereen weg, ook die donderwolkregie.

Een ster helpt. Maar niet altijd. In Twools 13 krijgt de popster Ellen ten Damme gastvrijheid van het balletgezelschap Scapino. Ze zingt, speelt gitaar, vleugel, viool. Een galm zet haar stem kracht bij, de dansers van Scapino ondersteunen haar bewegingen. Mooie dansers zijn dat, maar ze onderpresteren want ze mogen de ster niet overtreffen (wat sommigen per ongeluk toch doen). Tussen Ten Dammes songs door wordt met losse choreografietjes het balletpubliek gepaaid. Pauzenummers.

Wie werkt met een ster moet alle egards aan de kant gooien. Kan de ster daar niet tegen dan moet de ster maar ophoepelen. Ja, de kassa rinkelt extra. Maar we hebben recht op iets stevigers dan klapkauwgum.

Over een week presenteert museum Foam een verzameling portretten van Anton Corbijn. Allemaal beroemdheden. Er staan alvast wat foto’s op de site. En hel!, wat houdt hij ze d’r onder.

Joyce roodnat