De rechter en de psychiatrische patiënt

Nederland neemt steeds meer psychiatrische patiënten tegen hun wil op, zo blijkt uit onderzoek van deze krant. Soms oordelen rechters op ‘thuiszittingen’ over de vrijheidsbeperking. Een dag op stap met de rechter. ‘Nee, ik kan alles nog zelf.’

Het is maandagochtend. Rechter Harry van de Ven heeft BOPZ-dag. Vandaag reist hij langs psychiatrische patiënten om te beoordelen of zij zo geestelijk ziek en gevaarlijk zijn dat zij tegen hun wil opgenomen moeten worden. Zijn leidraad daarbij is de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ).

Het is half tien als de jonge griffier aanbelt bij een flat ergens in de Randstad. We zijn met z’n drieën: rechter Harry van de Ven, de griffier en, bij hoge uitzondering, een journalist. Een andere griffier, ook net jurist, chauffeert ons. Zij zal de auto met vertrouwelijke dossiers de hele dag niet verlaten.

In een kleine huiskamer met een massieve, bruine servieskast zit een 79-jarige vrouw in een fauteuil. Aan de muur hangen schilderijtjes met honden en teddyberen. In een kleine kring staan negen stoelen en krukjes. De vrouw heeft haar mooie goed aangetrokken en ziet er monter uit. Dit keer zijn er, behalve de advocaat en de behandelaar van de patiënt, ook drie familieleden op de ‘huiskamerzitting’. Dat is uitzonderlijk, zal de rechter na afloop zeggen. Meestal vindt de naaste familie het te pijnlijk om erbij te zijn.

Ruim twee weken geleden heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om opname van de vrouw. In de auto heeft de rechter net een heel summiere geneeskundige verklaring gelezen over de patiënt, opgesteld door een onafhankelijk psychiater. Sinds 2009 lijdt zij aan zeer ernstige geheugenstoornissen. Ze gaat slordig om met geld en vergeet haar sigaretten uit te doen, staat er. Ze weigert te douchen en eet bedorven voedsel.

De rechter heeft een donkerblauw pak aan. Op zittingen buiten de rechtbank draagt hij geen toga. Hij vertelt de vrouw wie hij is en dat de griffier is meegekomen om aantekeningen te maken. „Ik heb een brief van de officier van justitie gekregen waarin staat dat u moet worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis”, zegt hij. De vrouw roept „Nee!” Ook haar familieleden schrikken. Zij hadden eerder een gesloten afdeling in een verpleeghuis voor ogen. „Ik wil het niet”, zegt de vrouw. „Ik kan alles nog zelf. Ik doe hier in het winkelcentrum mijn boodschappen en ik heb aardige buren.”

Dan krijgt haar behandelaar het woord. Zij stelt zich voor als ‘case-manager’ van de thuiszorginstelling die twee keer in de week komt helpen. „Mevrouw heeft al een behoorlijke periode dementie en krijgt medicijnen. Thuiszorg kan haar soms niet douchen vanwege haar afwerende houding.”

De vrouw: „Ik douche altíjd! De douche is nog nat, ga maar kijken.”

De casemanager hervat: „We vinden dat het steeds slechter gaat. We kijken de koelkast na en gooien bedorven eten weg. Dat haalt mevrouw uit de vuilnisbak en eet het op. In haar bed zijn brandgaten van de sigaretten.” De vrouw: „Nee hoor, er zitten geen brandgaten in het bed.” Op het vinyl in de woonkamer zijn talrijke grijze ronde vlekjes te zien.

De rechter wil het verhaal van haar advocaat horen. Zoals meestal wordt die door de overheid betaald.

„Ik zie haar vandaag voor het eerst”, begint de advocaat.

De rechter: „Mevrouw zegt dat het allemaal zo erg niet is, terwijl de case-manager zegt dat het wel erg is.”

De advocaat: „Mevrouw zegt dat ze elke dinsdag, woensdag en donderdag onder de pannen is bij de dagbesteding. Thuiszorg komt elke dag haar medicijnen brengen. Daarmee zegt ze het te kunnen redden.”

De rechter: „Komen mensen van de dagbesteding bij u thuis?

De vrouw: „Niet dat ik weet.”

De rechter: „Haalt u spullen uit de vuilnisbak?”

De vrouw: „Nee hoor, ik let altijd op de houdbaarheidsdatum. Ik koop het en eet het diezelfde of de volgende dag op.”

De rechter: „Er zijn mensen die zorgen hebben dat u uw brandende sigaretten vergeet…”

De vrouw: „Nee hoor.”

De advocaat: „Maar uw zoon maakt zich zorgen.”

De rechter kijkt de kring rond: „Is er iemand die nog een bijdrage kan leveren aan mijn beslissing? Ik begrijp, mevrouw, dat u vindt dat u hier kunt blijven.”

De stiefdochter: „Ik heb haar gewoon zien veranderen. Vroeger had zij hoge normen en waarden. Nu lijkt het alsof er niets aan de hand is, maar ik zit gewoon te wachten op een ram van haar. Dit gesprek met u kan ze een half uur, hoogstens een uur volhouden. Dan ineens is het weg.”

De echtgenoot van de stiefdochter valt haar bij: „Het is heel raar. Nu lijkt er niets aan de hand, maar het volgende moment denk je: had ik er maar wat aan gedaan. Er is curatele ingesteld. Ik heb een gigantische financiële val gezien. Haar spaarrekening wordt geplunderd. Je kan het gewoon voorspellen: over een half jaar is er niets meer over. Het is zo vervelend om dit in zo’n kring te vertellen.”

De stiefdochter: „Binnen nu en een kwartier kan ze ineens hartstikke agressief uitvallen.”

De vrouw: „Nee toch?” Ze kijkt naar een andere vrouw tegenover haar op een krukje, haar schoondochter, en vraagt: „Nee toch?”

Stiefdochter: „Je kan kopjes naar je hoofd krijgen.”

De casemanager leest passages uit de dagelijkse rapportages van thuiszorg voor.

„Mevrouw verblijft in horecagelegenheden waar ze niet meer mag komen door voorvallen. U geeft uw portemonnee af aan mensen zodat ze koffie kunnen halen. Soms ziet u er onverzorgd uit. Dat zou u vroeger nooit hebben toegelaten. We hebben mevrouw geprobeerd te motiveren voor dagbehandeling.”

De schoondochter is aan de beurt. Zij en haar man komen minstens één keer per week. „Ik maak me het meest zorgen om die brandplekken. De buren zijn ook bang voor brand.”

De vrouw: „Nee hoor.” Ze is boos en wil opstaan.

De schoondochter: „Even wachten, even wachten. Kijk, nou gaat ze…”

Als de vrouw weer wat kalmer is, gaat de schoondochter verder: „We vermoeden dat sommige mensen in haar omgeving misbruik van haar maken. Ze gaat steeds meer drinken en roken. Ze vergeet hoeveel ze op heeft. Ze valt. Ze is een aantal keren in het ziekenhuis terechtgekomen, maar weet er niets meer van. Haar kortetermijngeheugen is heel slecht. Dan zegt ze dat ze pijn heeft aan haar knie, maar is ze vergeten dat ze gevallen is. Ze belt elke dag tien keer naar mijn man die curator is. Ze zegt voortdurend dat ze geld nodig heeft. Het is een onhoudbare situatie.”

De vrouw: „Het is wel goed zo.”

De schoondochter probeert haar tranen te verbergen.

De advocaat bekijkt de geneeskundige verklaring en zegt dat die wel heel dun is.

De rechter: „Ik vind het een vrij vergaande eis. De geneeskundige verklaring is vrij summier. Maar de betrokkenen lichten mij wel goed in.”

Tegen mevrouw: „U bent het er niet mee eens.”

De vrouw: „Nee, ik word er helemaal gek van.”

De advocaat: „Mevrouw is tegen, maar juridisch is er niets tegen. Ik kan er ook niets aan doen.”

De rechter: „Mevrouw, kan ik afspraken met u maken, zodat gedwongen opname vermeden kan worden?” Deze rechter probeert als het even kan patiënten tot medewerking te bewegen.

Bij deze vrouw lukt dat niet: „Nee hoor, ik blijf gewoon hier.”

De rechter: „Over de stoornis bestaan geen twijfels. We moeten het doen met de geneeskundige verklaring. Ik geloof ook dat er gevaar aanwezig is. Ik ben bang dat u zichzelf gaat verwaarlozen.”

De vrouw: „Nee hoor.” Ze kijkt haar schoondochter smekend aan.

De rechter: „Dus ik ga een machtiging afgeven voor gedwongen opname. Ik ben het eens met het verzoek van de officier van justitie.”

De vrouw ontgaat het oordeel niet: „Nee hoor, ik ga absoluut mijn huis niet uit. Ik ben het zat.”

De rechter maakt aanstalten om te vertrekken: „Misschien moet u alles nog eens met uw advocaat bespreken.” Iedereen schudt elkaar de hand. De zitting heeft twintig minuten geduurd, iets langer dan gebruikelijk.

In de auto zegt de rechter dat hij het een moeilijke beslissing vond. Het vergeten van een brandende sigaret alleen is geen reden voor opname. Kon het probleem niet opgelost worden met meer hulp? Nee, want de vrouw mijdt de hulpverleners. „Dus moet ik deze onprettige beslissing nemen.” De beslissing zal Van de Ven vandaag nog faxen naar het Openbaar Ministerie, de advocaat en de thuiszorginstelling. „Als de vrouw blijft weigeren, kan het zijn dat de politie haar moet komen halen.”

De chauffeur rijdt de rechter naar een verpleeghuis 55 kilometer zuidelijker. Op de gesloten afdeling van dat bejaardenhuis heeft de rechter om kwart voor elf een afspraak met een oude man. In de geneeskundige verklaring van de onafhankelijk psychiater staat dat hij klassieke kenmerken heeft van alzheimer en vasculaire dementie. In een piepklein kamertje passen nauwelijks meerdere stoelen. De man heeft diepe groeven in zijn gezicht. Hij oogt klein en zachtaardig, maar hij heeft geprobeerd zijn vrouw te wurgen en haar de ogen uit te drukken. Vanwege het acute gevaar heeft de burgemeester van zijn woonplaats, kilometers noordelijker, kort na het incident een inbewaringstelling afgegeven. Daardoor is de man direct opgenomen, zonder tussenkomst van een rechter. Rechter Van de Ven komt vandaag vaststellen of de opname moet worden verlengd.

De rechter legt weer uit wie hij is, wat hij komt doen en waarom hij een griffier heeft meegenomen.

De man: „Mag ik weer naar huis?”

De rechter vraagt: „Hoe is het hier gegaan?”

De man: „Goed. Ik wil graag naar moeder de vrouw en mijn kinderen.”

De rechter: „Is uw vrouw hier geweest? Heeft u met uw vrouw besproken dat u naar huis wilt?”

De man: „Ja, mijn vrouw zei dat ik over een tijdje weer naar huis kan.”

De rechter: „U wilt nu naar huis, ik ga de dokter daar naar vragen.”

De verpleeghuisarts zegt: „Ik ken meneer een paar dagen. Na de crisis heb ik hem voor het eerst gezien. Hij slaapt onrustig, ik heb hem slaaptabletten gegeven. Hij is erg moe, maar nu komt hij beter uit zijn woorden. Meneer heeft oordeel- en kritiekstoornissen en hallucineert. Momenteel is hij wel wat rustiger.”

De man: „Het is ook goed voor de kinderen als vader thuis is.”

De verpleeghuisarts: „Het is goed als meneer nog even blijft. Liefst in de regio waar hij vandaan komt. Nu is het voor zijn vrouw een drama om hier te komen. We zoeken een verpleeghuis dichter bij huis.”

De rechter vraagt de advocaat iets te zeggen.

Deze wendt zich eerst tot de arts: „Hoe schat u de mogelijkheden in voor een thuisbehandeling?”

De arts: „Dat kan eventueel, maar gezien het voorval denk ik dat mevrouw in een shock is nu.”

De man: „Ik voel me heel goed.”

De advocaat: „Als meneer goed is ingesteld op zijn medicijnen, denkt u dan dat het risico voor gevaar minder is?”

De arts: „Dat vind ik moeilijk te zeggen.”

De man: „Het is goed als ik weer bij de kinderen ben.”

De advocaat: „Ze hebben lief en leed gedeeld. En nu opeens dit.”

De arts gaat nog zachter spreken. „Hij heeft haar behoorlijk fysiek letsel toegebracht.”

De rechter vraagt de advocaat: „Wat zegt u namens uw cliënt?”

De advocaat: „Meneer is behoorlijk opgeknapt. Maar je hoeft er niet voor doorgeleerd te hebben om te zien dat er iets mis is. Meneer heeft een ernstige kritiekstoornis.” De man kan situaties niet meer objectief beoordelen.

De arts: „Dat zal alleen maar erger worden. Door zijn waandenkbeelden heeft hij zijn handeling verricht. Die kan je met medicijnen onderdrukken, maar aan zijn stoornis is niets te doen.”

De advocaat: „Ik zal u vragen het verzoek (tot verlengde opname, red.) formeel af te wijzen.”

De rechter tegen de man: „U zegt dat u weer naar uw vrouw wilt.”

De man: „De kinderen vragen zich af waar hun vader is. Het is belangrijk dat kinderen ook met hun vader opgroeien.”

De rechter: „Ik ga uw terugkeer toch niet goedvinden en de dokter vragen alles in het werk te stellen een plek dichter bij huis te zoeken. Ik vind de situatie op dit moment te zorgwekkend om u naar huis te laten gaan. U bent beter dan voorheen, maar nog niet goed genoeg. Uw kinderen kunnen u ook hier opzoeken. Ik geef de dokter toestemming om u hier nog drie weken te houden.”

De zitting heeft een kwartier geduurd als iedereen opstapt. Over drie weken komt er weer een rechter, om te beoordelen of de man een extra half jaar opgenomen moet worden. En daarna wellicht elk half jaar opnieuw. Deze gang van zaken legt een enorm beslag op rechters, zegt Van de Ven in de auto. Jaarlijks dienen er in Nederland 21.000 BOPZ-zaken. Sommige patiënten moeten meerdere keren per jaar op zitting komen omdat hun opname telkens tijdelijk wordt verlengd.

Van de Ven vertelt ook dat patiënten hun behandelaar er op aankijken dat zij van hun vrijheid worden beroofd. Formeel is het de officier van justitie die het verzoek tot opname doet, maar deze is nooit bij de zitting. De behandelaar moet de kritische vragen van de rechter beantwoorden. Zijn relatie met de patiënt komt daarmee onder spanning te staan.

De rechter kijkt op zijn horloge. „Straks is het twaalf uur en heb ik nog maar twee zaken gedaan.” Zeven zittingen staan vandaag op de rol. Meestal zijn het er tien. We mogen er bij zes aanwezig zijn.

In een net opgeleverd psychiatrisch ziekenhuis zit een 59-jarige man met een zogeheten bipolaire stoornis. Hij is verliefd geworden op twee vrouwen in Afrika en wil bij hen zijn. Hij kreeg de politie op zijn dak omdat hij, volgens de geneeskundige verklaring, achter zijn buurjongen aanzat. De politie zegt dat hij naakt over straat liep. De burgemeester heeft een inbewaringstelling uitgeschreven. De man is eerder opgenomen geweest. Hij is volgens een onafhankelijke psychiater zeer onrustig en wekt agressie op. De rechter leest dat zijn grootheidswanen leidden tot maatschappelijke teloorgang. De man denkt dat hij Bram Moskowicz kan inschakelen voor hulp. Maar welk gevaar dreigt hier precies? Dat is die ‘maatschappelijke teloorgang’: het gevaar dat de patiënt zichzelf iets aandoet, of al zijn geld kwijtraakt. De zitting is in de lichte keuken van de inrichting. De patiënt komt op plastic schoeisel aansloffen. Na de introductie van de rechter begint hij zijn relaas. Over zijn bankpas die gestolen werd. Waardoor hij geen geld had en uiteindelijk hier belandde. Het verhaal is moeilijk te volgen.

De rechter: „De psychiater zegt dat u een bipolaire stoornis heeft.”

De corpulente man, ooit schipper, leunt achterover in zijn stoel. Zijn geruite overhemd past niet meer helemaal over zijn buik. Hij zegt: „De psychiater stelde die diagnose in een kwartiertje. Laat iemand eens een dag meevaren op m’n schip.”

De rechter: „Even terug. De psychiater denkt dat het niet goed gaat als u naar huis terugkeert. Wat vindt u daarvan?”

De man: „Daar ben ik het niet mee eens. Ik voel me kiplekker.”

De rechter: „U krijgt medicijnen.”

De man: „Ik ben al eens eerder opgenomen, dat was door een leugen van de buren. Ik zat met kleine kinderen te praten en zou me in hun bijzijn hebben afgetrokken.”

De psychiater van de inrichting zegt: „Hij is manisch. Hij praat veel en is dwingend. Hij is nogal chaotisch.”

De man slaat op tafel. „Ik maak bezwaar.”

De rechter: „Ik wil eerst de arts horen.”

De psychiater: „Het is toch op eieren lopen. Er zijn voldoende redenen om de opname voort te zetten.”

De advocaat is een bekende. Hij stond ook de man bij die zijn vrouw wilde wurgen. Hij vraagt: „Wat vindt u het grootste gevaar?”

Het antwoord van de arts is moeilijk verstaanbaar. De patiënt schiet van zijn stoel en roept: „Praat eens wat minder snel.”

Hij haalt een telefoontje uit zijn zak en laat een foto van een donkere vrouw zien. Aan zijn pols draagt hij een Afrikaans kralensnoer. „De tijd schrijdt voort”, zegt de patiënt. „Ik heb ook nog een andere vrouw in Afrika leren kennen, ik wil weten wat de aanklacht is.”

Dan gaat de telefoon van de psychiater. De man wordt weer kwaad: „Waarom zet u uw telefoon niet uit. Het stoort!”

De rechter legt uit dat de psychiater bereikbaar moet zijn.

De advocaat neemt het woord: „Mensen uit uw omgeving zien u als druk. U moet wel binnen normale kaders blijven. Het is niet zo dat u iets gedaan heeft. U krijgt geen straf, maar hier wordt bekeken of ze u weer op de rit kunnen krijgen. Op zich zou het ambulant allemaal kunnen. Maar u ziet niet dat er iets aan de hand is. Formeel zal ik de rechter vragen het verzoek van de officier van justitie af te wijzen. Maar de machtiging voor een verblijf van nog eens drie weken is natuurlijk tijdelijk.”

De man vertelt hoe hij over de Maas uitkeek en dan aan het afscheid van zijn vader moest denken en aan een vrouw die zou zijn vergiftigd.

De rechter: „Nu moet u tot uw punt komen…”

De man: „Onthoudt u dit goed alstublieft.” En dan volgt een heel verhaal over John Lennon, dat je de dag moet plukken.

De arts lijkt het er moeilijk mee te hebben en wendt zich van zijn patiënt af. Hij zegt nog wel: „Even stil nu.”

De rechter: „Ik zal de machtiging verlenen en de dokter toestemming geven om u weer vrij te laten als hij vindt dat het weer beter met u gaat.”

De man: „Ik wil naar huis, nu.”

De rechter: „U moet eerst iets rustiger worden.”

De man tegen de advocaat: „Dan tekenen we gelijk beroep aan.”

Hij weet niet dat beroep onmogelijk is. Hij kan alleen in cassatie gaan. Dan wordt de zaak niet nog eens inhoudelijk getoetst, maar kijkt de Hoge Raad alleen of de rechter de wet niet heeft geschonden.

De arts pakt de man bij de arm en gebiedt hem de ruimte te verlaten. „Ik moet ook mijn broodje nog eten.” Het is inmiddels tien voor een.

In de auto zegt de rechter dat deze man ooit nog wel uit de inrichting zal komen. Maar dan moet hij wel afspraken maken met zijn dokter. Van de Ven: „Zo’n soort man zat in vroeger tijden levenslang opgesloten. Nu is er elke keer een rechterlijke toets.”

De volgende patiënt is een jongeman die volgens de geneeskundige verklaring erg achterdochtig en onberekenbaar is, zijn moeder stalkt en matig eet. Hij lijdt aan een psychose, mogelijk schizofrenie. Vorig jaar heeft hij de arm van zijn jongere broer uit de kom gedraaid. Hij heeft geen onderdak. De afgelopen weken heeft de burgemeester meer dan drie keer een inbewaringstelling over hem uitgesproken, maar telkens bleek hij onvindbaar en kon een psychiater hem niet beoordelen. Hij zou een gevaar voor zichzelf en voor anderen kunnen zijn.

Het is bijna half twee. Een tengere jongeman met kort sportbroekje en slippers wordt door een lange gang met geblindeerde ramen geleid. Een versuft meisje schuifelt langs. Als de tengere jongen zit, zegt de rechter dat de officier van justitie wil dat hij hier blijft. De rechter vraagt hoe het komt dat hij is opgenomen.

De patiënt wil eerst zelf een vraag stellen: „Waar is de officier?”

De rechter: „Die is er niet.”

De jongeman zegt: „Wat was uw vraag ook al weer?”

De rechter: „Waarom u hier zit. Wat is er gebeurd?”

De man: „Mijn ouders hebben mij hierheen gestuurd omdat ze denken dat het niet goed met me gaat.”

De rechter: „U krijgt medicijnen.”

De jongeman: „Nee. Ik heb de dokter niet nodig.”

De rechter: „De officier wil dat u langer blijft.”

De jongeman: „Hij kan zoveel willen. Dat is zijn werk.”

De rechter: „Ik ga het eens aan de dokter vragen.”

De ziekenhuisarts vertelt dat hij contact heeft gehad met eerdere zorgverleners. „Hij is al eens zes maanden uit beeld geweest en kwam verward in ondergoed terug. Ik hoor steeds meer van dit soort dingen. Hij gooide met stenen om naar binnen te komen. Hij heeft zijn ouders bedreigd. Die hebben zelfs aangifte gedaan. Hij praat langs dingen heen. Hij is veel afgevallen. Hij heeft het idee dat zijn telefoon afgeluisterd wordt. Daar ligt mogelijk een psychose onder, of misschien zelfs een schizofrene ontwikkeling.”

De rechter: „Wat dat betreft onderschrijft u de geneeskundige verklaring?” De arts heeft als het goed is de geneeskundige verklaring van de eerste psychiater die de jongeman onderzocht, gelezen. De eerste psychiater treft de patiënten meestal in de slechtste toestand aan, de behandelaar constateert vaak na een paar dagen verbetering. De rechter beoordeelt de patiënt zoals hij op het moment van de zitting is.

De arts: „Hij weigert medicatie. Zorgverleners zijn al jaren met hem bezig. Zijn ouders zijn een beetje ten einde raad. Ik hoor verder van de hulpverlening dat hij uren onder de douche staat. Ik denk dat antipsychotica nodig zijn. Ik denk niet dat hij die vrijwillig zal innemen.”

De advocaat: „In hoeverre is er nu sprake van daadwerkelijk gevaar? U schetst het beeld dat er zorgen zijn over de veiligheid van de moeder, maar die komt hier elke dag en neemt eten mee.”

De arts: „Hier is de onderliggende spanning beheersbaar. Thuis kan het heel anders zijn.”

De advocaat nogmaals: „Wat is het gevaar? Waar blijkt dat uit?”

De arts: „Moeder heeft dat gezegd.”

De advocaat: „Er is wel een stoornis. Dan is de vraag of er onmiddellijk dreigend gevaar is. Dat vind ik vrij dun.”

De jongeman: „U zegt dat ik geen medicatie neem en te lang in de douche of op de wc blijf. Maar er is absoluut niets met mij aan de hand. ‘’

De rechter: „En u zegt dat u zelf mag weten of u twee uur naar de wc wilt gaan… Ik neig ernaar de dokter te volgen over uw stoornis. Ik wil hem vragen of hij nader wil onderzoeken wat er precies aan de hand is. Omdat uw ouders bang en bezorgd zijn, verleen ik toestemming u hier nog drie weken langer te houden.”

De jongeman: „Op basis waarvan?”

De rechter: „Op basis van de wet. Een onafhankelijke psychiater zegt dat u een psychiatrische stoornis heeft en deze dokter denkt dat ook. Ik ben geen medisch deskundige, maar als twee dokters dat zeggen, dan neem ik dat aan.”

De arts laat de rechter en de griffier het gebouw uit, nadat hij het slot op de toegangsdeur heeft ontgrendeld. Deze zitting duurde korter dan de andere. De rechter zegt achteraf dat hij overtuigd was dat het goed mis is met de jongeman en vindt de bedreiging van zijn familieleden aannemelijk.

Na een ritje door de stad parkeert de chauffeur bij een instelling voor mensen met een verslaving. Voor de deur staan een paar bleke, magere mensen te roken. De rechter en de griffier moeten grauwe trappen op om in de donkere ontvangstruimte te komen. Daar zit een 42-jarige man van Surinaamse afkomst zonder voortand, maar met een snorretje naast zijn ongezond ogende vriendin. Zij heeft haar haren net laten golven en draagt hoge hakken.

De rechter vertelt dat de officier van justitie bezorgd is over de verslaving van de patiënt en dat hij opname in een psychiatrisch ziekenhuis wil om aan dat probleem te werken. „Ik begrijp dat u er veel aan heeft gewerkt, maar dat het niet is gelukt.”

De man: „Het is wel gelukt.”

De rechter: „Dus u weet helemaal niet wat ik hier kom doen?”

De man: „Nee.”

De rechter: „De officier vraagt mij om een rechterlijke machtiging omdat u uw behandeling zou weigeren.”

De man: „Ik zit hier al sinds vorig jaar november. Alles loopt heel goed. Ik weet niet wat er aan de hand is.”

De rechter: „Oké, ik ga het eens aan uw arts vragen.” Het blijkt geen arts, maar een verpleegkundige.

„Door zijn drankgebruik heeft hij een alvleesklierontsteking gekregen. Hij onderging een behandeling, maar brak die af.”

De vriendin springt in: „Hij is teruggekomen omdat ik werd mishandeld door mijn vriend. Ik werd op de wc opgesloten en belde hem. Ik had vier gebroken ribben.”

De rechter: „Dat begrijp ik allemaal. Maar waarom bent u niet naar het ziekenhuis teruggegaan?”

De man: „Dat mocht niet meer.”

De verpleegkundige: „Ik ben van drie tot zeven uur met hem terug gegaan. Er waren geen bedden meer vrij. Meneer is weggegaan.”

De rechter: „U bent zonder toestemming van uw arts weggegaan?”

De man: „Ik had wel toestemming. Ik heb tijdelijke medicatie gekregen.”

De rechter: „Hoe kan het dat de arts iets anders zegt?”

De verpleegkundige: „We kwamen terug en meneer had toch alcohol genuttigd.”

De rechter: „Hoe moet het nou verder met u? Daar maak ik me een beetje zorgen over.”

De man: „Ik moet elke dag hier komen blazen. Het kost me elke dag 7 euro om van mijn huis hierheen te komen. Ik zou graag daar in de buurt zitten. Dan slik ik mijn medicijnen op tijd. Dan kan ik mijn zus bellen. Ik weet niet waarom ze me bij alcoholisten en mensen met naalden plaatsen.”

De rechter richt zich tot een andere zorgverlener, de ‘behandelcoördinatrice’. „Ik wil weten waarom het vijf voor twaalf is en waarom u vindt dat meneer nu opgenomen moet worden.”

De behandelcoördinatrice: „Vanwege zijn lichamelijke problemen. Die houden verband met zijn verslaving. Hij heeft een verleden met cocaïne en alcohol. En grote psychosociale problemen. Hij ziet de risico’s niet die hij loopt. We moeten hem behoeden voor...” Ze slikt haar woorden in en vervolgt: „De verminderde alvleesklierfunctie geeft een verhoogde mortaliteit.”

De rechter: „Dat betekent dat u er aan dood kan gaan.”

De verpleegkundige: „Wij denken aan een beschermde woonvorm. Er is een afspraak gemaakt, maar meneer komt niet op afspraken.”

De vriendin: „Het is wel de bedoeling dat je de hele waarheid zegt.”

Voor het eerst treedt een vrouwelijk advocaat op: „Ik lees vooral een diagnose op alcoholgebied. Dat is niet psychisch.”

De behandelcoördinatrice: „Opname is nodig om dat beter vast te stellen.”

De rechter tegen de behandelcoördinatrice: „Uw instelling zegt dat hij een cognitieve stoornis heeft, hoe uit die zich?”

De coördinatrice: „Hij weet soms niet meer welke dag het is. Het besef dat alcohol zo gevaarlijk is in zijn toestand blijkt niet tot hem door te dringen. Hij zegt dat een biertje toch niet zo erg is. Hij moet tegen zichzelf in bescherming worden genomen.”

De advocaat: „Dat-ie de dag af en toe vergeet, is toch niet voldoende om te spreken van een cognitieve stoornis? Er moet naast verslaving nog een psychische ziekte zijn. Dat blijkt niet uit de geneeskundige verklaring. Natuurlijk is het niet goed te praten dat je alcohol drinkt met een alvleesklieraandoening. Maar er is geen causaal verband tussen het gevaar en een psychisch ziektebeeld. De wet verbiedt u mee te laten wegen wat het beste voor de patiënt is. Ik vraag de rechter het verzoek van de officier af te wijzen.”

De rechter: „Ik zal zeggen wat ik vind. Alle behandelaars vinden dat er een laatste mogelijkheid moet zijn voordat u doodgaat aan alcohol. Ik maak me ernstig zorgen. Ik ben het alleen wel met uw advocaat eens dat er onvoldoende sprake is van een psychiatrische stoornis. Daarom zal ik het verzoek om u zes maanden vast te houden afwijzen. Ik wil u nu vragen met uw behandelaar afspraken te maken, zodat ik u nog eens kan tegenkomen bij Feyenoord of op een terrasje. De zorgverleners willen ook dat u nog 25 jaar leeft. Denk erom: ik wil u niet nog eens op zitting zien.”

De vriendin veert op: „Ik wil ook een eigen huisje.”

De man opgelucht: „Ja, ik wil leven. U ziet me echt niet meer.”

In de auto vraagt rechter Van de Ven aan de griffier: „Wat vond jij?”

De griffier zou het verzoek ook hebben afgewezen. Iedereen verdient een tweede of derde kans, vindt zij, en je kunt een man niet opsluiten om zijn lichamelijke klachten te laten behandelen.

De laatste zitting gaat over een lange intelligente man van 71 in een naburige instelling. Hij heeft de ziekte van Parkinson. Om zijn vingers zitten een trouw- en een zegelring. Op het puntje van zijn neus draagt hij een leesbril. De rechter zegt hem – wederom in de keuken annex vergaderzaal van de inrichting – dat in de geneeskundige verklaring staat dat het niet goed met hem gaat.

De man: „Ja, tot mijn grote verbazing. Twee jaar geleden was ik vrij ernstig ziek. Ik kon niet slapen, toen heb ik slaaptabletten genomen om rust te krijgen. Ik ben in het ziekenhuis beland waar ze dachten dat ik longembolie had. Nu moet u weten dat ik in de problemen zit met mijn vrouw. Er zit een echtscheiding aan te komen. Daar ben ik heel ongelukkig mee. Toen ik thuiskwam, heb ik weer zo’n stripje van die tabletjes gepakt. Ik dacht dat daarmee alle problemen zouden zijn opgelost. Zo kwam ik hier. Mijn vrouw bezocht me en huilde. Ik ben een stoere vent, maar moest ook huilen. Ik zei: ‘Ik ben zo vreselijk fout geweest toen ik die tabletten pakte’. Ik kreeg altijd een tasje vol medicijnen en gebruikte wel vijfentwintig pillen per dag. Nu gaan we het zo regelen dat de apotheek rollen voor de week maakt, dan heb ik geen voorraden meer. Dat wil ik ook absoluut vermijden. Het is absoluut geen zelfdoding geweest. Ik ben uit ongeluk en teleurstelling in die slaaptabletten gegleden.

De rechter: „Heeft u dat met uw arts besproken?”

De man: „Ja, hier vinden ze het ook suïcide.”

De rechter tegen de arts: „Hoe vindt u nu dat het met meneer gaat?”

De arts: „Op zich best wel goed. Nu moeten we een plan maken waardoor het veilig wordt.”

De rechter: „Kunt u mij zeggen waarom hij hier moet blijven?”

De arts: „Het was heftig in zijn privésituatie. Wij willen nu een plan maken om meneer thuis goed op te vangen. Zodat de gevaren afgewend kunnen worden. Dan doel ik op suïcide en zijn lichamelijke problemen.”

De rechter: „Daar verschillen de meningen over.”

De arts: „Het was duidelijk een suïcidepoging.”

De man lacht vriendelijk tegen de jonge vrouwelijke arts: „Dat is lief, hoor. Maar ik heb duidelijk aangegeven dat ik absoluut niet dood wil. Voor mijn vrouw en kinderen. Ik heb zelfs een weddenschap dat ik negentig word.”

De rechter probeert weer aan te sturen op een compromis: „Zou u hier vrijwillig willen blijven?”

De man: „Als ik de druk van huis niet had wel ja. Ik wil het thuis goedmaken.”

Zijn advocaat is weer dezelfde als die van de man die zijn vrouw probeerde te wurgen en de man die naar zijn vrouwen in Afrika wilde. Hij vraagt aan de arts: „Krijgt meneer nog tips voor psychomedicatie? Meneer zit hier al ruim zes weken. Heeft u contact gehad met de familie?”

De arts: „Ja.”

De advocaat: „Ik vind het toch belangrijk te weten wat zijn vrouw vindt.”

De arts: „Zijn vrouw heeft aangegeven …”

De patiënt: „Dat zij wil scheiden.”

De advocaat: „U wilt ergens anders gaan wonen?”

De man: „Ik ben er nog niet van overtuigd dat zij echt wil scheiden. Mocht dat het geval zijn, dan mag zij het huis met het tuintje hebben. Dan ga ik zelf in een flat met een stukje begeleiding. Dat heb ik nodig. Er zijn ook sociale contacten in zo’n huis.”

De advocaat: „Meneer was op de hele goede weg. Hij was hier vrijwillig. Hij kreeg veel ambulante hulp. Fysiotherapie, hersentraining voor zijn Parkinson. Meneer wilde even zijn traject onderbreken en weggaan. Daarom is een inbewaringstelling aangevraagd met het goede idee om meneer op de rit te helpen. Maar goede bedoelingen hebben, is onvoldoende. Er moet een psychische stoornis zijn en gevaar. Ik vind het lastig om het suïcideverhaal te beoordelen. Hij zegt het niet te willen. Ik ga met hem mee daarin. Hij komt heel coherent over. Meneer heeft wel aardig wat ziekten in zich. Eerlijk gezegd vind ik inbewaringstelling een te zwaar middel.

De rechter: „Als ik de dokter begrijp, wil zij u sterker maken voor het gesprek thuis, met uw vrouw. Zij gelooft nog steeds in zelfdoding.”

De man: „Ja, dat is jammer. Ze is zo aardig. Ik heb die zelfmoordneiging absoluut niet. Dat met mijn vrouw is een vrij gecompliceerd verhaal. Daar moet ik iets aan doen. Daar moet ik niet mee wachten, want dan loopt het echt uit de hand.

De arts: „Er is niemand thuis bij meneer. Er moet een plan gemaakt worden. Medicijnen...”

De rechter: „Als we afspreken dat u hier nog een week blijft en dat regelt. Dat uw vrouw hier een keer komt.”

De arts: „Zij wil absoluut geen contact meer. Dus we moeten regelen dat er zorg is. Dat er iemand is om te bellen als meneer valt.”

De man: „Ik heb mijn huis bewust voorzien van grepen en liften. Thuis ben ik nooit gevallen. Ik ben zelf absoluut niet bang voor vallen.”

De rechter: „Maar er zijn andere mensen die daar wel zorgen over hebben. En ik maak me er ook zorgen over. Ik moet beslissen of ik toestemming geef om u hier drie weken langer te houden. Als ik dat verzoek afwijs, pakt u dan uw biezen?”

De man: „Dan blijf ik sowieso twee, drie dagen. Dan proberen we m’n vrouw te pakken te krijgen.”

De rechter: Wat als ze niet wil?

De man: „Ik was 48 jaar getrouwd. Ik ken haar door en door. Het zal moeilijk zijn haar aan de lijn te krijgen. Maar als ik thuis ben, komt ze gauw genoeg. Ik heb haar ook nodig voor koken en wassen. Mocht ze dat niet willen, dan kan een vriendin van haar helpen.”

De rechter: „Ik vind het een heel moeilijke zaak. Er is geen opvang thuis en er is acuut dreigend gevaar. Het zit in de vraag of er sprake is geweest van een suïcidepoging. Ik heb de mening van twee psychiaters. Die zeggen dat u pillen heeft ingenomen in een suïcidepoging. Ik ga een machtiging verlenen voor drie weken. Gelet op hetgeen uw arts nu heeft verklaard, ga ik er van uit dat u heel veel eerder met ontslag gaat. U bent zonder meer akkoord met een week. Wordt het langer, dan is dat omdat ik wil dat u veilig naar huis terugkeert. Ik denk dat u tot overeenstemming kunt komen met uw arts. Dit soort afspraken maak ik zelden, meneer.” De rechter suggereert dat hij de man een grote uitzonderlijke gunst verleent, maar geeft ondertussen volledig gehoor aan het verzoek tot verlengde opname. „Uw drive begrijp ik. Maar uw gezondheid is van het grootste belang nu. Van belang is dat u hier niet meer terug hoeft te komen.

De man: „Ik zit tussen echte psychiatrische patiënten. Dan ga je je zelf ook zo voelen.”

De man staat op en slaat een arm om de schouder van de jonge arts. De rechter zegt in de auto: „Bij deze man moet je besef kweken, hem in zijn eigenwaarde laten. Het is een heel dunne zaak. Hij had een ongespecificeerd hersensyndroom en ik geloof de arts dat er sprake was van een stoornis die het gevaar op suïcide opleverde. Ik heb overwogen deze zaak af te wijzen omdat er twijfel was of de man niet vrijwillig opgenomen kon blijven. Maar dan was hij zeker weggelopen.”

Het is half vier. De rechter gaat op de rechtbank alle beschikkingen van vandaag afwikkelen met de griffier. Eén verzoek voor gedwongen opname heeft hij deze dag afgewezen, zes ingewilligd. Gemiddeld keurt hij negentien op de twintig verzoeken voor opname goed. Het was een rustige dag, zegt rechter Van de Ven. Meestal zitten er meer schizofrene patiënten tussen en minder demente ouderen. Vaak moet Van de Ven beslissen over mensen die in de isoleercel zitten, vandaag niet. Patiënten in die extreme staat komt hij vast over drie weken weer tegen. Dan maakt hij zijn volgende ronde.

Om de zittingen te kunnen bijwonen heeft de auteur een geheimhoudingsverklaring getekend die de anonimiteit van de patiënten moet waarborgen. Ook kon niets gepubliceerd worden over beraadslagingen buiten de rechtszittingen.