Brieven over agnosten en atheïsten

Agnosten zijn niet laf

In NRC Weekend van 4/5 juni gaat Anton van Hooff op agressieve wijze tekeer tegen het agnosticisme. Hij noemt agnosten „de meest onhebbelijke ietsisten”. Agnosticisme vindt hij „een gebrek aan geestelijke moed […] Net als godsgeloof is het een laffe vorm van onwetendheid”. Nu, daar kun je het als agnost wel mee doen.

Een bruikbare definitie van een gelovige is: iemand die iets voor waar houdt dat hij niet kan weten. Een agnost vindt het niet nodig om meer te geloven dan hij weet. Dat weten verandert voortdurend door empirie en nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen. De agnost aanvaardt de onzekerheid als levensbeginsel. Hij gelooft niet in iets, dus kan hij onmogelijk een ietsist zijn, al dan niet onhebbelijk.

De atheïst daarentegen is een gelovige, net als degenen die in God geloven. Hij kan immers niet bewijzen dat God niet kan bestaan. Door de wetenschappelijke ontdekkingen van de twintigste eeuw en van de laatste tijd wordt steeds duidelijker dat wij weinig tot niets weten van de kosmos, zijn geschiedenis en zijn toekomst. Elke nieuwe ontdekking vergroot onze kennis, maar ook het mysterie.

De agnost trekt de consequentie en zegt: ik weet dat ik niets weet. Van Hooff zegt met een kromme analogie dat je dan ook niet meer kunt uitsluiten dat de Eiffeltoren in Londen staat. Alsof de agnost de hele Newtoniaanse wetenschap overboord zou gooien.

Van Hooffs beschuldiging van lafheid aan het adres van de agnosten is ongerijmd. Het gaat hier alleen maar om verschil van inzicht dat geen denigrerende of prijzende kwalificaties verdient. Zijn fanatisme laat zich moeilijk rijmen met het voorzitterschap van een vrijdenkersvereniging.

E.F. Limburg

Vogelenzang

Koester onwetendheid

Agnosticisme is: de realiteit onder ogen durven te zien. Dat vergt meer moed dan Van Hooff’s vluchten in schijnzekerheden. Hij stelt wel, net zoals de agnosten, dat het bestaan van een God nooit overtuigend is aangetoond. De realiteit is dat daaruit geen enkele verdere conclusie te trekken is omtrent het al dan niet bestaan van God, zoals iedereen die met de logica bekend is moet weten. De enige eerlijke, verantwoorde conclusie is onwetendheid. Dat heeft niets te maken met lafheid, noch met – zoals van Hooff stelt – het feit „dat agnosten geen enkele mogelijkheid willen uitsluiten”. De agnost zal per definitie ook nooit stellen „dat er dus ‘iets’ of een God moet zijn”, zoals Van Hooff veronderstelt.

Dat is geen haarkloverij. ‘Vrijdenkers’ als Van Hooff willen met een drogreden en gesteund door hun autoriteit, mensen de keuze ontnemen om in een God te geloven. Dat is precies het argument van Rouvoet c.s. tegen atheïsten. Het kamp van de bestrijders van religies wordt daardoor, zonder enige noodzaak, in tweeën gesplitst. De enige legitieme reden om religies te bestrijden is immers hun imperialistische aard, hun pretenties om het enige ware geloof te zijn en daaraan speciale rechten te ontlenen, bijvoorbeeld om grote massa’s simpele zielen, met name kinderen, te indoctrineren. Evenals de imperialistische atheïst is deze pretentie onverenigbaar met democratie.

Peter Pappenheim

www.project-democracy.com