Afgunst in de Middeleeuwen

Letterkunde Ook de middeleeuwer kende al jaloezie en afgunst. Laura van der Wijden bestudeerde de betekenis van deze twee emoties in Middelnederlandse teksten.

Herman Amelink

‘Boven mijn hoofd praatte Henriette tegen Nicolien. Dat ze met Nicolien wel praatte, maakte me leeg, een gevoel alsof ik bij mezelf op bezoek was. God mocht weten waarom het met mij zo ingewikkeld moest. Ik was vaag jaloers op Nicolien, maar zag de belachelijkheid daarvan meteen weer in.’

In een boek over de Middeleeuwen komt een citaat uit Binnen de huid door J.J.Voskuil als een verrassing. “Voskuil gebruikt hier het woord ‘jaloers’ waar volgens de definitie eigenlijk het woord ‘afgunstig’ gebruikt zou moet worden”, zegt Laura van der Wijden. Bij afgunst gunt iemand een ander iets niet; jaloezie is oorspronkelijk gerelateerd aan liefde.

“Afgunst komt bijna niet meer voor in ons dagelijkse taalgebruik en is synoniem geworden aan jaloezie. Moderne schrijvers wisselen de begrippen af om monotonie in hun teksten te vermijden. De middeleeuwse auteurs zouden hier hoogstwaarschijnlijk het woord ‘nide’ in de betekenis van afgunst gebruikt hebben.”

Laura van der Wijden promoveerde eerder dit jaar aan de Universiteit Utrecht op het proefschrift Scheve ogen in de Lage Landen, de functie en betekenis van afgunst en jaloezie in Middelnederlandse teksten. In de tuinkamer van haar jaloers stemmende huis, niet ver van de Bloemendaalse duinen, vertelt ze erover.

Waar komt uw belangstelling voor dit onderwerp vandaan?

“Ik kom uit de reclamewereld, waarin ik sinds de jaren tachtig werk, sinds 1989 als zelfstandige. In 1997 ben ik in Utrecht daarnaast Nederlands gaan studeren, voor de lol, maar ook omdat ik geïnteresseerd ben in de Nederlandse taal. Ik werd, mede dankzij enthousiaste docenten, door het studeren gegrepen en dan vooral door de Middeleeuwen. Ik ben afgestudeerd op huilende middeleeuwers. Ik merkte toen dat ik onderzoek doen heel leuk vond en daarmee verder wilde. Emoties zijn momenteel ‘hot’ in de mediëvistiek. In Duitsland en de Verenigde Staten is veel onderzoek gedaan naar het fenomeen boosheid. Dat wilde ik niet overdoen. Ik vroeg me toen af welke emotie interessant zou zijn. Zo kwam ik voor mijn proefschrift bij afgunst en jaloezie uit. Het zijn beide emoties die aangeven wat echt belangrijk is voor mensen, terwijl het toch twee verschillende emoties zijn, waar nog eens bij komt dat afgunst een van de zeven hoofdzonden is.

“Ik vind de middeleeuwse mens – als deze al bestaat – erg interessant. Met taal en cultuur kun je heel dicht bij hem komen. Nu geeft wat op schrift staat over de Middeleeuwen in de vorm van allegorieën, ridderromans etcetera niet noodzakelijk de werkelijkheid van toen weer, maar wel een ideaal. Als je kijkt wie er afgunstig is en op wie en waarom, ontdek je wat echt belangrijk was in die tijd.”

De middeleeuwer is u dus nader gekomen?

“Absoluut. Toen ik met mijn studie begon, had ik weinig beeld van hem. Door de colleges werden de middeleeuwers voor mij mensen die prachtige én leuke teksten schreven. Eigenlijk staat de middeleeuwer veel dichter bij ons dan gedacht, ook door zijn gevoel voor humor. Je leest teksten waarom je ook nu nog altijd moet glimlachen. Hij had andere normen; zo werd over overspel heel openlijk geschreven. Dat was acceptabel in een tijd waarin mensen niet uit liefde, maar om economische motieven of politieke redenen trouwden. Maar die normen veranderden in loop van de tijd.

“Hoe dat verschuift zie je bijvoorbeeld in het dierenverhaal Van de Vos Reynaerde, waarin de pastoor een vrouw en een kind heeft – iets wat ook toen echt niet meer kon. In de oudste versie komt in het verhaal een kat voor die de pastoor bij zijn ballen grijpt. Dat wordt dan in latere versies meer verhullend ‘bij de neus’ nemen. En uiteindelijk is het een kinderverhaal geworden, zoals meer verhalen die in de Middeleeuwen voor een volwassen publiek geschreven zijn.”

Hoe wist u welke Middelnederlandse teksten u moest hebben?

“In veel onderzoek wordt vooral aandacht besteed aan één specifieke tekst of hooguit een paar. Ik wilde zoveel mogelijk teksten integraal thematisch bekijken. Ideaal voor mijn onderzoek was dat veel belangrijke Middelnederlandse teksten op cd-rom beschikbaar zijn. Ik heb dus zelf geen handschriften hoeven te lezen. Op die cd-rom zijn ze naar de gewone drukletter overgezet, dus makkelijk leesbaar.

“Dit is de eerste keer dat emoties uit de Middeleeuwen zo breed onderzocht zijn. Bestudeerd zijn: didactische en moralistische teksten, maar ook ridderromans en liederen, echt het hele scala aan Middelnederlandse teksten. De oudste teksten waren uit de dertiende eeuw, de jongste teksten die ik heb bekeken waren de toneelstukken van de zestiende-eeuwse Haarlemse rederijkersvereniging ‘Trou moet blijcken’.

“Alle teksten heb ik doorzocht op woorden die op een of andere manier met afgunst of jaloezie te maken hebben. Je moet denken aan termen als aefgunst, afvon, avegunst, beneed, beneet, beniit, benijt, envie, jalosie, jaloisie, jaloes, jalous, neid, nide, nijd, nijt, wangunst, wangon en de variaties daarop.

“Die woorden brengen je dan bij bepaalde fragmenten, die ik vervolgens heb bestudeerd op de vraag welke emotie daar speelt. Gaat het echt over afgunst of jaloezie? Een aantal woorden kan namelijk ook naar boosheid of ergernis verwijzen. Pas dan heb ik ze in mijn definitieve onderzoek betrokken. Daarbij heb ik vervolgens de vraag gesteld: wie is hier afgunstig of jaloers, op wie en waarom en hoe wordt daarop gereageerd.”

Zaten alle teksten waarvan u intuïtief vermoedde dat er van afgunst of jaloezie sprake was in uw uiteindelijke bestand? Zag u niets over het hoofd?

“Ik miste aanvankelijk een aantal situaties in de Arthur-romans. Daarin kwamen mijn zoektermen kennelijk niet voor. Toen ik de betrokken passages erop nakeek, bleek – anders dan ik dacht – dat er in die romans geen sprake was van jaloezie. Arthur was strikt genomen niet jaloers om zijn vrouw Genevere, die een relatie begon met Lanceloet. Hij wilde haar ook niet terug, wat bij jaloezie meestal wel het geval is, maar vond dat ze op de brandstapel moest om haar overspel. De beschrijvingen in de Arthur-romans duiden op boosheid. Daarom vielen ze terecht buiten mijn onderzoek.”

Wat verstond de middeleeuwer onder afgunst?

“Aristoteles was de eerste die precies formuleerde wat afgunst is. Voor de middeleeuwer was hij dé wetenschapper. Er is sprake van afgunst als je pijn voelt over het geluk van anderen, je misgunt die ander zijn geluk. Afgunst ontstaat dus door jezelf te vergelijken met een ander. Je voelt je minder dan die ander, door het succes van die ander, of door zijn bezittingen. En je vindt bovendien dat jouw inferieure situatie onverdiend is. Opvallend vind ik dat deze emotie als zodanig eigenlijk nooit is veranderd. Afgunst ontstaat altijd in relatie tot mensen die je als je gelijken ziet: de auto van de buren, die je eigenlijk zelf zou willen hebben. Maar niemand is bijvoorbeeld afgunstig op de koningin. Je kunt haar rijkdom overdreven vinden, maar je bent niet afgunstig op haar. In de Middeleeuwen waren ridders afgunstig op andere ridders, geestelijken op andere geestelijken.”

Hoe werd afgunst tot een hoofdzonde?

“Dat idee van een rijtje hoofdzonden komt oorspronkelijk bij de Egyptische woestijnvaders vandaan. De monniken die zich in de vierde eeuw terugtrokken in de woestijn moesten aan een zuivere verhouding tot God werken en duivelse gedachten uitbannen. Ze moesten tegen een reeks zonden strijden: ze mochten niet lui zijn, niet hebzuchtig, etcetera. Afgunst zat aanvankelijk niet in dat rijtje.

“Het was paus Gregorius de Grote (540-604) die in de zesde eeuw de afgunst officieel tot hoofdzonde verklaarde. Hij onderscheidde er zeven, waarvan hoogmoed de ernstigste was, direct gevolgd door afgunst en hebzucht. Daarvan moest je berouw hebben. Gregorius had, net als de woestijnvaders, met dat lijstje in de eerste plaats monniken op het oog, maar later sijpelde dat door naar andere maatschappelijke lagen. Pas in de late Middeleeuwen wordt het rijtje hoofdzonden gebruikt bij ‘gewone’ gelovigen, als afvinklijstje bij het horen van de biecht, met daaraan gekoppeld voorgeschreven boetedoeningen.”

Hoe ziet de middeleeuwer de herkomst van afgunst? Is ze iets in de mens of komt ze van buiten?

“Beide opvattingen komen voor. Afgunst leeft in je hart, in de mens dus. Maar ze wordt ingeblazen door de duivel. Er was een theologische discussie over de vraag waar de eigenlijke oorzaak lag. Maar het is in elk geval aan de mens of hij aan de influisteringen van de duivel gehoor geeft of naar God luistert. De afgunst komt naar buiten via de ogen of via de mond. Middeleeuwse afbeeldingen laten dat heel plastisch zien.”

Afgunst en jaloezie zijn twee verschillende emoties. Waarin verschilden ze voor de middeleeuwer?

“Afgunst is per definitie een negatieve emotie, een hoofdzonde en een zonde die in het laatste van de Tien Geboden expliciet verboden wordt: je zult niet begeren wat je naaste toebehoort. Jaloezie is ook negatief, maar kan ook positief zijn, ze beschermt, ze komt voort uit de wens dat je iemand van wie je houdt niet wil delen met een ander. Het is angst om te verliezen. Jaloezie heeft, anders dan afgunst, altijd met liefde te maken. Bij afgunst gaat het om twee partijen, bij jaloezie doen drie partijen mee: de jaloerse, de ander en de (vermeende) rivaal. Dat maakt jaloezie vaak zo wraakzuchtig en machteloos tegelijk.

“In die vorm is middeleeuwse jaloezie identiek met wat wij vandaag onder jaloezie verstaan. Maar in de Middeleeuwen werd de term jaloezie ook gebruikt op manieren die we nu nauwelijks meer kennen. Men sprak van jaloezie als er slecht over God of over het geloof gesproken werd. Het gaat dan om het gevoel dat je iets niet kunt uitstaan, waar je boos van wordt. Je kunt het kwaad gewoon niet verdragen.

“In de Sidrac, een 14de-eeuwse encyclopedische tekst voor leken die op een Oud-Franse tekst teruggaat, wordt, als de lof van de haan bezongen wordt, gezegd dat hij uit mildheid de korrels uit zijn mond spaart om voor zijn hennen te zorgen, en dat hij jaloers is. Hier gaat het om een soort positieve, preventieve jaloezie, om te voorkomen dat andere hanen in de buurt komen.”

Hebben afgunst en jaloezie tegenwoordig een ander karakter dan in de Middeleeuwen?

“Opvallend vind ik juist dat de emoties als zodanig zo weinig zijn veranderd. We kennen allemaal het gevoel wel, dat je je inferieur voelt of dat je bang bent je geliefde aan een ander kwijt te raken. Alleen de manier waarop men met emoties omgaat is door de tijd en door culturen heen verschillend. Kijk maar naar de manier waarop Japanners hun emoties lieten zien bij de berichtgeving over de kernramp.

“Een groot verschil is dat de Middeleeuwen een eermaatschappij kenden. Je leven was veel meer afhankelijk van de eer, van de waardering die je kreeg. Afgunst op waardering is ook de meest voorkomende vorm van afgunst die ik ben tegengekomen. Als je van een goede reputatie afhankelijk bent, dan onderneem je actie om die te krijgen of te herstellen. Je ziet dat nu nog bij voorbeeld bij het fenomeen eerwraak. Als je dochter onteerd wordt, dan is dat een schande voor de hele familie, die daarmee buiten de gemeenschap wordt geplaatst. Zo sterk als in sommige moslimculturen was dat in de Middeleeuwen niet, maar men ondernam wel degelijk actie voor eerherstel. Schande moest hoe dan ook worden uitgewist. Dat zie je in alle teksten.

“Eer, waardering hebben we nog altijd nodig, maar als je die onverhoopt niet krijgt, dan kunnen we ook reageren met: so what? Het is dankzij de Verlichting dat we in staat zijn zo’n individualistisch antwoord te geven. Dat kon de middeleeuwer niet. Dat verklaart waarom door de islam gestempelde culturen wel eens middeleeuws genoemd worden, ze hebben dat individualiseringsproces van de Verlichting niet doorgemaakt.”

Op wie bent u zelf afgunstig?

Van der Wijden graait een boek uit haar boekenkast: “Dit jaar heb ik de Haarlemse Debuutprijs gekregen voor mijn roman Buiten de kaart om. Het doet me plezier dat de boeken in de Haarlemse boekhandels goed verkopen en dat de vijftien exemplaren in de bibliotheek van Haarlem permanent uitgeleend zijn en dat er zelfs een wachtlijst is. Ik ben afgunstig op schrijvers als Voskuil die grote oplagen halen. Ik hoop na dit succes dat mijn volgende roman brede aandacht en een flinke oplaag krijgt.”